1. eten betekenis & definitie

1. ETEN (at, heeft gegeten), nuttigen, voedsel nemen; — (spr.) iemands brood eten, bij iemand in dienst zijn; — het genadebrood, bij iem. eten, uit medelijden van hem den kost krijgen; — hij kan meer dan brood eten, hij weet veel, hij kan meer dan men hem zou aanzien; — zijn woord eten, zijn gezegde intrekken, terugnemen; (ook) zeer onduidelijk spreken; — daar kan men niet van eten, aan beloften heeft men niets; — wiens brood men eet, diens woord men spreekt; — het zijn profeten, die brood eten, zie BROOD; — men zou er wel van kunnen eten, gezegd als iets buitengewoon schoon is (b. v. eene stoep, eene gang); — de kaas zich niet van het brood laten eten, zie BROOD; — eten en drinken is geen ambacht. er moet ook gewerkt worden; — den pot koken zooals men hem eten wil, naar goeddunken handelen; — zijn witte brood eerst eten, zie WITTEBROOD veel letters gegeten hebben, veel gelezen hebben; — dat eet geen brood, daar is geen verlies bij te wachten, het kost niet aan onderhoud; — die machine eet veel kolen, gebruiken, noodig hebben — dat eet tijd, vraagt, vereischt veel tijd.

Laatst bijgewerkt 02-09-2018