1. af betekenis & definitie

1. AF bw. geeft eene verwijdering te kennen bij werkw. van beweging:

hij kwam juist van de plaats des onheils af, (af versterkt het begrip door van uitgedrukt); — van zich af spreken. zijne meening doen gelden tegenover een ander, met kracht spreken; — van zich afbijten, (fig.) (van menschen) bits bejegenen die hun te na komen, afsnauwen; — (het werkwoord is weggelaten in:) hij (ging, liep, sprong) de trap, de stoep af en de straat op; — allen af, (in tooneelstukken) verwijderen zich van het tooneel; — hoeden af afgenomen, afgezet; — vlug, de ketel af afgezet; — mij de kop af (afgeslagen), als hij het doet; — links af, (nl. gaan); — van de brug af (nl. gaande) het derde huis; — op iem. af vliegen, rennen, ijlen, naar hem toe; — wij er op af, erheen; — zij zeilden, stuurden op de haven af, naar de haven toe; — de politie moest er op af, erheen; — wanneer hij niet betaalt, moet de deurwaarder op hem af, naar hem gaan (in al deze voorbeelden geschiedt de beweging met een doel); hij wil er niet af(gaan), hij blijft bij zijne meening, doet geen afstand van zijne bezitting; — iem. iets op den man af vragen, zonder omwegen, rechtstreeks: — ge kunt op hem af, kunt hem vertrouwen;

af en aan, heen en weer; — af en aan zeilen, houden, (zeew.) op dezelfde plaats heen en weer zeilen;— af en toe, nu en dan, van tijd tot tijd; — af wijst het punt aan vanwaar de als beweging gedachte werking uitgaat: de tram loopt van het eene einde der stad af tot aan het andere; — van dien dag af, met dien dag te beginnen; — van volontair af (den tijd toen hij volontair was) heeft de secretaris op dit kantoor gewerkt; — van kind af, van kindsbeen af, van dien tijd toen de persoon nog jong was;— van den oudste af hebben wij de leden bezocht, van het oudste lid tot het laatste, het jongste lid; — op den reuk, op het geluid af, gaande in de richting vanwaar de reuk, het geluid komt; — (zeew.) het schip ging de kust langs, op het lood af, al loodende; — naar de, bij de rij af, van het eerste voorwerp af, de rij langs; — eene richting naar beneden : den berg, heuvel, de trap af; — berg op, berg af; trap op, trap af, telkens op- en afstijgen; — de rivier, den stroom af, in de richting van den oorsprong naar de monding : stroomaf; — af bevel: komt naar beneden;

eene verwijdering, scheiding bij werkw. van rust: ik ben gelukkig nu van hem af, van hem verwijderd, (fig.) heb niets met hem te maken, behoef hem niet meer te helpen; — wie is er af ? (in het spel, bij een wedstrijd) wie is afgevallen; — de verf, de glans is er af, er niet meer op; (fig.) het nieuwe is er af, het is niet meer nieuw; de aardigheid is er af, het levert geene aardigheid meer op; — hij woont van den weg af, verwijderd van; — van zijne vrouw af zijn, van elkander af zijn, gescheiden zijn; — Op reis gaan ? Neen, dat kan er dit jaar niet af, de werkzaamheden laten het niet toe, (ook) dat kan ik niet betalen; — ik zit twee banken van hem af, verwijderd; — het is er ver af, dat hij zooveel bezit, dat ze allen komen, het scheelt veel; — het is er ver af, dat ik het geloof, ik geloof het volstrekt niet; — daar is hij nu af, van ontslagen, heeft er geen last van; — zoodra het gebouw is goedgekeurd, is de aannemer er af, behoeft hij er niet meer voor in te staan; — daar wil ik af zijn, ik kan het niet met juistheid zeggen, dat durf ik niet beslissen; — hij is al lang minister af, al lang afgetreden;— wel, goed, beter, slecht enz. af zijn, tengevolge van zekere omstandigheden in een goeden, beteren of slechteren toestand verkeeren; — (zegsw. ontleend aan het biljartspel) op goed af spelen, trachten zóó te spelen (of te handelen), dat men door zijn spel (door zijne handelingen) geene schade lijdt; — af zijn, afgemat zijn naar lichaam en geest, (bekaf, doodaf); — af geweest zijn, zijn gevoeg gedaan hebben; — af zijn, afgemaakt, afgewerkt zijn, (vooral van een kunstwerk): is uw werk al af; — af, afgeloopen zijn : de koorts is af; — af, afgesprongen, afgebroken zijn : het engagement is af, het is af met hen; — af, afgesteld, buiten koers : de pietjes zijn af; — (zegsw.) af of aan! de zaak moet een eind hebben, moet beslist worden, gij moet ja of neen zeggen; — hij deed het op de minuut af, geen oogenblik te vroeg of te laat; — iets doen op het gevaar af, zonder het gevaar te ontzien; — bij het gevaar af, bij vechten af; — dat ging bij 't kantje af, het scheelde o zoo weinig; — dat was er bij af — bij iem. of iets af zijn, er weinig van verschillen: dat is bij zwart af.

In: van nu —, van zijne jeugd —, van dien tijd —, van den beginne af aan dient af weggelaten te worden, alleen bij bijzonderen nadruk kan het gebezigd worden; — van voren (af) aan, hetzelfde nog eens herhaald; — pleonastisch en daarom te vermijden is : zonder dat ik van iets af wist; — hij weet van niets af; (gew.) spreek daar niet af; — wat weet gij daar af, daarvan;

vooral af te keuren is : van af dien tijd, 1 Februari, van af den weg, de poort, voor : van dien tijd enz. af, vgl. ga met mij mede van af mijn huis tot toe de poort (van Lennep).

Laatst bijgewerkt 30-08-2018