1 betekenis & definitie

1 - PAAI, m. (-en), oud man, bestevaar (thans nog Z. A.); — (zeew.) oud bevaren matroos (evenals de jongste zeuntje heet), belast met het beheer en de afgifte van sommige benoodigdheden tot het scheepswerk: paai van het kabelgat, die alle touwwerk beheert; paai van de zeilkooi, die belast is met de zorg voor de zeilen; paai van den mast; — (volkstaal) oude paai, oude kerel.

Laatst bijgewerkt 22-11-2018