Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Zwaar

betekenis & definitie

bn. bw. (-der, -st),

1. onderworpen aan de zwaartekracht, wegende, bep. zoveel als een bep. noemt: alle lichamen zijn zwaar; tien pond zwaar; hoe zwaar is dat stuk?) het is te zwaar; — fig.: zij wilden weten hoe zwaar ik was, hoeveel geld ik (bij mij) had :
2. betrekkelijk veel wegende: lood en goud zijn zwaar; zware metalen, met een s.g. boven 5 ; zware mineralen, met een s.g. boven 2.9; een zware last; een zwaar gewicht) zwaar geld, grote geldstukken, (fig.) grote geldsommen ; dat schip is zwaar geladen, met een zware last; zwaar hout, dikke planken, balken, bomen ; een zwaar mens, zwaarlijvig ;
3. minder eig., waarbij het gewicht een maatstaf voor kwaliteit is of alleen aan deze gedacht wordt, stevig, dicht, dik ; dat is zware zijde, zwaar linnen ; zwaar papier ; zware touwen ; een zware bepantsering ; — zware wapens, met grote uitwerking; zwaar geschut, grof geschut; vand. de zware ruiterij, die zwaar gewapend is; zwaar materiaal, groot materiaal; spoorlijnen met snel en zwaar verkeer; — de grond zwaar heinesten, er veel meststof inbrengen; — de zware industrie, die grote machines enz. vervaardigt; — (schaaksp.) zware stukken, dame en loper ; — zware wolken, dikke, donkere wolken ; het is een zware lucht, met zware wolken; — hij schrijft zwaar, dik, maakt dikke neerhalen; — zware fondsen, die hoog genoteerd staan;
4.een physiek gevoel van zwaarte, van druk gevend, daarmee gepaard : mijn benen zijn zo zwaar als lood; het ligt mij zo zwaar in de leden, ik gevoel mij zo afgemat;

van de atmosfeer: ’t was een dag van grote hitte, en de lucht was drukkend zwaar (Laurillard); — zwaar in 't hoofd zijn, daar een drukkend gevoel hebben ; — (fig.) een zwaar hoofd in iets hebben, het donker inzien; — dat paard is zwaar op de hand, rijdt niet gemakkelijk; — hij is nogal zwaar op de hand, neemt alles gewichtig op, ziet gauw bezwaren; ook: verveelt en vermoeit door zijn wijdlopig geredeneer ; — zwaar van hand zijn, de vereiste vlugheid, vaardigheid, gemakkelijkheid in de uitvoering van iets missen ; — een zware tong hebben, moeilijk kunnen spreken, inz. door dronkenschap ;

5. moeilijk te verteren : zware spijzen ; bonen vallen zwaar ; vis is geen zwaar eten ;
6.(fig.) een psychisch gevoel van druk gevend: zware dromen; dat ligt hem zwaar op het hart; zware schuld ; zware beproevingen; — bekommerd, angstig; dat maakt mij het hart zo zwaar; — Gods hand rustte zwaar op het land, men had er veel tegenspoed; — (gew.) een zware winkel, gedwongen winkel;
7.groot, aanzienlijk, van grote omvang: een zware bezetting; — drukkend : zware kosten ; op zware lasten zitten ) een zware straf ; — gewichtig : dat weegt zwaar bij mij, hieraan ken ik veel gewicht toe, dat acht ik van veel belang ; — wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegenr het belangrijkste gaat voor ; — ernstig, erg: een zware misdaad begaan ; dat zijn zware zonden ; je moet dat allemaal niet zo zwaar opvatten ; — zware jongens, personen die ernstige misdrijven begaan ;
8. (bw.) in hoge mate, ernstig, erg : dat wordt hem zwaar aangerekend ; zwaar gewond zijn ; iem. zwaar beledigen ; hij is zwaar verkouden, zwaar ziek : (gemeenz.) er is zwaar vergaderd, veel en langdurig;
9.moeilijk, moeizaam, veel inspanning vergend : zwaar werk ; een zware taak ; zware arbeid verrichten ; er was een man die stenen hieuw uit de rots. Zijn arbeid was zeer zwaar, en hij arbeidde veel (Multatuli); zware gevechten ; een zware strijd te strijden hebben, meest fig.; — dat is zwaar dienen, men heeft het er druk, men is nooit klaar; — een zwaar examen, waarbij de eisen hoog zijn; — een zware klasse (op school), die moeilijk te regeren is, inz. een grote klasse ; een zware verlossing, die met veel pijnen gepaard gaat;

zwaar ademhalen, beklemd; — het werken valt hem zwaar, hij kan bijna niet werken ; het valt velen zwaar, hoge belastingen op te brengen) — het zijn zware tijden, men kan slechts met moeite het nodige onderhoud verdienen ; — in psychische zin : het afscheid viel mij zwaar ;

10. hevig, onstuimig : een zware tvind, storm ; een zwaar onweer ; het is zwaar weer, stormweer ; zware buien, hevige wind en regen; een zware zee, hooggaande zee ; het schip werkt zwaar, stampt hevig ;
11. (fig.) zware klei, moeilijk te bewerken, door te grote vettigheid; zware gronden, vette gronden; — veel alcohol bevattende: zwaar bier, zware wijn; — (scheik.) zwaar water, zie Water; ook van andere stoffen gezegd waarin een der elementen is vertegenwoordigd door een isotoop met een hoger atoomgewicht, en van die isotopen zelf; — zware oplossingen,. geconcentreerde oplossingen van stoffen met hoog s.g.; — zware olie, olie die uit teer gedestilleerd wordt bij 230-300°;
12. (niet alg. meer) zwanger: die vrouw is zes maanden zwaar; ik was toen zwaar van mijn derde (kind);
13.van geluiden, laag en tevens doordringend: een zwaar gebrom ; een zware stem ; — (bw.) zwaar rollende donderslagen.

Met verl. deelw. wordt zwaar vaak aaneengeschreven: zwaarbeladen, -gewond enz.

< >