Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Zout

betekenis & definitie

o. (-en),

1. keukenzout, natriumchloride, aan spijzen toegevoegd om de smaak te verbeteren : zout in het eten doen ; een mespuntje zout; — (spr.) hij is het zout in de pap niet waard, hij betekent of presteert niets; — zout en brood maakt de wangen rood, eenvoudige kost is gezond; — als conserveringsmiddel, ook in de zin van pekel: spek, vlees in het zout leggen ; groenten uit het zout; —(spr.) ik heb nog iets voor hem in het zout, hij heeft iets gedaan, waarover ik hem onderhouden moet, waarvoor hij straf van mij zal hebben ; — een zak zout met iem. gegeten hebben, hem lang kennen ; — zout is het zinnebeeld der trouw ;iets met een korreltje zout nemen, zie Korrel;
2. (meton.) zoutevis: de aanvoer van zout;
3. (fig.) dat wat smaak en kracht aan iets geeft: uw woord zij met zout besprengd (Coloss. 4:6); vriendschap is het zout des levens ;Attisch zout, zinrijke, geestige strekking van een gezegde, een rede ; — (bijb.) gij zijt het zout der aarde (Matth. 5 : 13), uw geest moet die der andere mensen doordringen en verbeteren;
4. (scheik.) alg. naam voor verbindingen die, evenals keukenzout, bestaan uit een metaal en een zuurrest, d.w.z. een niet-metaal en zuurstof (de zuurstof zouten), of alleen een niet metaal (de haloiedzouten); — een normaal zout is een stof die, in water opgelost, alleen positieve metaal- en negatieve zuurrestionen afsplitst; zure zouten, waarin niet alle waterstofatomen van het zuur door metaal vervangen zijn; basische zouten, waarin niet alle OH-groepen door zuur zfin vervangen ; neutrale zouten, die niet zuur en ook niet basisch zijn ; — Engels zout, zwavelzuur magnesium, purgeerzout; — geest van zout, zoutzuur.