Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Zaak

betekenis & definitie

v. (...zaken),

1. zeer algemene term waarmee men een ding of een voorstelling van de geest aanduidt die geen persoon is; het begrip is ruimer dan voorwerp, omdat het ook op onstoff. begrippen wordt toegepast: zelfstandige naamwoorden zijn de namen van personen of zaken; stoffelijke en onstoffelijke zaken ; geduld is zulk een schone zaak (v. Alphen); — als rechtsterm wordt het gebruikt voor goederen (lichamelijke zaken) en rechten (onlichamelijke zaken); — vaak wordt het echter ook bepaaldelijk voor voorwerp, stoffelijke zaak gebezigd: hij noemde verschillende zaken op ; zijn zaken bij elkaar pakken ;
2. aangelegenheid : dat is een zaak van gewicht; in zaken van godsdienst; — in ’t bijz. aangelegenheid die men te behartigen heeft of behartigt, affaire : zijn zaken regelen ; orde op zijn zaken stellen ; — zijn eigen zaken doen, ze niet aan anderen overlaten; — iemands zaak of zaken waarnemen, zijn belang behartigen (vgl. B.W., a. 1390); — bemoei u met uw eigen zaken ; dat is uw zaak niet; dat is niet ieders zaak, daartoe is niet ieder in staat; — zwijgen is zijn zaak niet, hij kan niet zwijgen ; — dat is de zaak der politie, de politie dient hier te regelen, op te treden ; — het is zaak, dat ..., het is nodig, raadzaam, wenselijk: verder was het zaak, stil af te wachten ; — kwestie : zich in een lastige zaak mengen ; hij is gelukkig van de zaak af ; — onverrichter zake terugkeren, zonder dat men zijn doel bereikt heeft; — hoe staan de zaken?, hoe gaat het u of er mee — dat wat iemands belang is (vgl. verder 9.): zijn zaak staat goed, slecht;
3. handeling van koop en verkoop : zaken met iem. doen ; voor zaken op reis gaan ; goede, voordelige zaken doen, waarbij men veel verdient; — (zegsw.) zaken zijn zaken, bij handelstransacties geldt alleen materieel belang, geen gevoelsoverweging; — een man van zaken, een koopman, (ook) iem. die spijkers met koppen slaat; — ook wel voor handeling in zeer alg. zin : lastgeving is een overeenkomst, waarbij iemand aan een ander de macht geeft om een zaak in zijn naam te verrichten (B.W., a. 1829);
4. bedrijf, onderneming, in ’t bijz. winkel: een zaak openen, oprichten, uitbreiden, aan iem.

overdoen; een zaak in herenmodeartikelen ; dat is een goede zaak; een oude, een fijne zaak ;

5.wat geschied, wat voorgevallen is, ook de toestand die door zekere voorvallen ontstaan is: ik zal u de hele zaak vertellen ; de rechte toedracht der zaak weet ik niet; — naar bevind van zaken handelen, naar de omstandigheden ; gedane zaken nemen geen keer, wat gebeurd is, blijft gebeurd; — geheel van omstandigheden : u moet de zaak nemen zoals ze is, u kunt er niets aan veranderen ; het mooiste van de zaak is... ;
6. dat waarover men spreekt, waarover men handelt: dat is de zaak niet, daar gaat het nu niet om ; hij dwaalt telkens van de zaak af ; met kennis van zaken spreken ; — dat doet niets ter zake, tot de zaak af. dat is nu van geen belang, maakt niet uit: — doch nu ter zake, laten wij nu tot ons eigenlijk onderwerp overgaan ;
7.in de uitdr. het is niet veel zaaks, het betekent niet veel, is niet goed ;
8. als eufem. omschrijving : de zaken hebben, de regels, de menstruatie ;
9.gerechtszaak, proces, rechtsgeding: de zaak komt morgen voor; men kan, mag geen rechter in eigen zaak zijn ; belang; rechtsvordering: de verweerder in zuiver persoonlijke zaken, of in die welke roerend goed betreffen (W.B.Rv., a. 126) ; iemands zaak verdedigen ; een rechtvaardige zaak voor staan.