Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Wit

betekenis & definitie

I.

bn. (-ter, -st), kleur van het volle licht, van ten volle teruggekaatst licht: een witte zakdoek; iets wit schilderen ; witte verf ; de witte stukken van een schaakspel; de witte loper, die van de partij die met wit speelt, ofwel de loper van een der partijen die over de witte velden gaat; wit als sneeuw ; witte seringen ; — een witte raaf, zie Raaf ; wit goed, in tegenst. met bont goed ; — ivit papier, ook in de zin van : nog onbeschreven ; iets zwart op wit hebben, in het bezit van een geschreven bewijsstuk zijn; — de witte vlag, teken van vrede of van overgave ; — Witte Paters, naam van het gezelschap der missionarissen voor Afrika ; — wit metaal, zie Witmetaal; — witgoud, platina ; wit hout, vurenhout (ook aaneengeschreven, zie ald.); witte wijven, (ontl. aan Germ. myth.) wijze vrouwen, bewoonsters van holen en andere schuilhoeken, die zij nu en dan verlieten om geluk en ongeluk, benevens toekomstige gebeurtenissen te voorspellen en aanwijzingen te doen waar zich ontvreemde of verloren goederen bevinden; de witte vloed, een vrouwenziekte, meestal een bewijs van zwakte, waarbij wit vocht in de baarmoeder enz. afgescheiden wordt; — (viss.) witte netten, die vol viszitten ; — een witte Pasen, met sneeuw ; — wit zien van...t bedekt zijn met iets wits, althans iets dat zeer licht gekleurd is : de straat ziet wit van de hagel; de landen zijn alrede wit om te oogsten (Joh. 4 : 35), fig. in toepassing opvruchtbare arbeid die te doen valt; — zelfst.: iets wits; oneig. in enkele uit-dr. en vaste verb.: een wit voetje bij iem. hebben, in zijn gunst staan, veel bij hem vermogen ; misschien een zinspeling op het gebruik dat paarden en koeien met witte voeten bijzondere voorrechten hadden (b.v. zonder tol te betalen een stad mochten binnenkomen), omdat aan de witte kleur zekere magische kracht werd toegeschreven ; — de witte pest, de tuberculose ; — (zeew.); een witte bui, een bui zonder zware bewolking of onweer, zodat men ze niet kan zien aankomen; — (niet alg.) het zijn witte vrienden, het zijn de beste vrienden; — (Zuidn.) wit zijn bij iem., zeer met hem bevriend zijn; ergens wit zijn, er veel aan huis komen ; al te wit is gauw vuil, te grote vriendschap is niet bestendig; — Witte Donderdag, Donderdag vóór Pasen, wanneer altaar, kruis en priestergewaad in de witte kleur zijn; Witte Zaterdag en Zondag, Zaterdag en Zondag na Pasen ; — de witte terreur, de vervolging der aanhangers van Napoleon na Waterloo ; vand. in ’t alg. in toepassing op anti-revolutionnaire acties : het Witte leger in Rusland, dat het Rode leger der revolutionnairen bestreed;

2. (minder eig.) licht van kleur of tint, bep. ter onderscheiding van andere, donkere soorten : witte wijn; witte botten; een witte huid;een witte neger, een albino ; — wit vlees, zie Vlees ; — (bosb.) geschild, ontschorst; (gew.) witte wijfjes, geschilde eikenhakhoutknuppels ;
3. (in ’t bijz.) bleek van gelaatskleur, bestorven ; hij zag zo wit als een doek (als de muur, als een lijk, als krijt enz.);
4. van het haar (als ouderdomsverschijnsel): zijn haar is al helemaal wit; de goede SinterKlaas was oud ; hij droeg een witten baard (Staring); — vand. van personen met betr. tot hun haar, grijs: hij is zo wit als een duif, geheel grijs ;

II.zn. o.,

1. de onder I. genoemde kleur, het witte, de witheid : zuiver wit; blauwachtig wit; wit is de kleur der onschuld; wit kaatst warmte terug;
2. witte kleren, witte bekleding : zij was in het wit;
3. iets dat wit is ; deel van iets dat —, of plaats waar iets wit is : het wit van een ei ; het wit van het oog ; het wit van zijn hemd ; wat is dat wit daar?wit op wit, het verbouwen van twee graangewassen direct na elkaar op hetzelfde perceel (in Zeeland); — (schaaksp.) met wit of wit spelen, met de witte stukken;
4. een plantenziekte, meeldauw;
5.(letterz.) zetmateriaal dat lager is dan de letterhoogte, waardoor die plaatsen bff het drukken wit blijven.