Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Weten

betekenis & definitie

(wist, heeft geweten),

1. kennis hebben van of omtrent, bekend zijn met: weet je waar Lima ligt? dat kon ik niet weten ; iets te weten komen ; ik weet het uit de krant, ik heb het in de krant gelezen; — van wie weet u dat?, wie heeft het u verteld ? ; — van iets weten, er van op de hoogte zijn : daar wist ik niets van ; — (scherts.) hij weet van de moord, hij weet, kent het; — iets van iem. weten, op de hoogte zijn van iets aangaande hem (inz. te zijnen nadele); — ik zal het u laten, doen weten, ik zal er u bericht van sturen; —inzien: ik weet niet, wat ik doen moet; ik weet geen raad ; — ik weet er iets op, ik zie een middel of mogelijkheid om de moeilijkheid op te lossen; — God weet, God mag weten..., het is mij totaal onbekend ; — dat is nog nooit gebeurd, voor zover ik weet, voor zover mij bekend is ; evenzo : bij mijn weten (vgl. 7.);

te weten, namelijk; — wel te weten, goed te verstaan; van de prins geen kwaad weten, zie Prins; — (volkst.) weet ik veel, uitdr. om te kennen te geven dat men niet precies op de hoogte is en zich er niet in wenst te verdiepen ; — hij weet wel beter, doet maar alsof; — ik wist niet wat ik liever deed, ik doe het volstrekt niet; — ik weet er alles van, ik ben er geheel mee op de hoogte omdat ik het zelf ervaren, ondervonden heb ; — hij wil het hier weten, wil de baas zijn; — weet je wat? uitdr. waarmee men een bep. inzicht of voorstel omtrent een hangende kwestie inleidt; — elliptisch met een zakelijk object: weet je mijn handschoenen ook (of nergens)? weet je waar ze zijn ? -ter inleiding van een mededeling : weet, dat...; je moet weten dat zijn vader..., ik vertel je dit (om hetgeen volgt te kunnen begrijpen); — weet je? immers, namelijk;

2.(in pass. zin) bekend zijn of worden : hij is ziek, maar hij wil het niet weten, wil niet dat men het weet, en vand.: wil het niet toegeven; hij wil het weten, hij komt er rond voor uit; — wat niet weet, wat niet deert, wat niet bekend is, doet geen kwaad, heeft geen invloed op de opinie ; — dat is te weten, is onzeker ; — die sport weet wat, tegenwoordig, wordt heel belangrijk geacht, daar is heel wat om te doen;
3. zich bewust zijn van: iem. dank weten, hem erkentelijk zijn;
4. enige bewustheid, bep. hinder, ongemak of leed van iets hebben: hij had veel wijn gedronken, maar hij wist er niets van; zijn oudste dochter is dood, maar hij weet er weinig van;

5. van iets of iem. willen weten, er mee te maken wallen hebben, het willen accepteren of doen, er mee om willen gaan enz.;

6.kans zien, er in slagen: hij wist te ontsnappen; — in staat zijn, kunnen, de bekwaamheid hebben tot: hij weet te geven en te nemen ; hij weet met iedereen om te gaan ;
7.zelfst., kennis, wetenschap ; buiten mijn weten, zonder dat ik er mede bekend was; — met ons weten, met onze voorkennis ; — naar mijn weten, voor zoveel mij bekend is ; — tegen beter weten, zie Beter.