Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Vraag

betekenis & definitie

v. (vragen),

1. het vragen ; inz. het vragen naar, het verlangen : er is veel vraag naar ; verlangen om te kopen: vraag en aanbod ; de vraag is bepalend voor de omvang en de richting van de productie ;
2.handeling van vragen ; het richten van woorden tot iem. en de woorden die men tot hem richt om iets van hem te weten te komen, althans hem iets te doen zeggen, iets waarop een antwoord moet gegeven worden : iem. een vraag doen ; een moeilijke, een onbescheiden vraag ; vragen stellen, beantwoorden ; een schriftelijke vraag; op die vraag moet ik het antwoord schuldig blijven, dat kan ik niet beantwoorden ; — (taalk.) volzin waarin of waarmee iets gevraagd wordt: directe en indirecte vragen; in een vraag staat het ww. voorop ; 3. het gestelde ; wat gevraagd wordt, bep. dat wat men moet leren, in ’t bijz. uit een catechismus : vragen leren; een boekje met vragen en opgaven ;
4. kwestie, dat wat uitgemaakt moet worden: de vraag die zich voordoet; dat is de vraag niet, daarover gaat het hier niet; — het is nog de vraag, of..., het is onzeker ; — dat is zeer de vraag, zeer onzeker ; — als gerni. te vermijden is het gebruik in de zin van probleem : de vragen van de dag ;
5. (gew.) catechisatie : ga je ook al naar de vraag? ;
6. (kaartsp.) spel dat men in deze of gene kleur wenst te spelen.