Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Voos

betekenis & definitie

bn. (vozer, -t),

1. (van vruchten en andere plantendelen) zonder stevig vlees (door het optreden van eerst niet aanwezige holten), meest ook weinig sap bevattend : de radijzen zijn voos ; zo voos als een raap ; (oneig.) een voos lichaam, gezet maar slap, zonder stevigheid ;
2. (fig.) zonder kracht of pit; schijnvol, heel wat lijkend maar zonder innerlijke kracht: voze redeneringen; — (ook) bedorven, niet in orde : voze toestanden.

< >

Studenten en medewerkers van onderwijsinstellingen hebben gratis toegang.

Ensie voor jouw (onderwijs)instelling? Bekijk de mogelijkheden.

✓ Bedankt! We nemen zo snel mogelijk contact met je op.
Er ging iets mis. Probeer het opnieuw.