1. bn., het meest vooruit geplaatst, zich vooraan bevindend : in het voorste huis wonen ; op de voorste bank zitten; de voorste vinger, de wijsvinger: — ook met betr. tot opeenvolging, eerste: op de voorste pagina ; — zelfst., die het meest vooraan is: de voorsten maken dat de achtersten niet in de kerk kunnen (spr.): — hij is altijd Haantje (Pietje) de voorste, overal de eerste; — als zn. o., meest naar voren gelegen deel: het voorste van de stoet;
II. bw., op de meest naar voren gelegen plaats, eerst : dit komt het voorst; vgl. achterstevoorst.