Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Vliegen

betekenis & definitie

(vloog, heeft en is gevlogen),

1. door middel van vleugels zich in de lucht verheffen en voortbewegen : vogels, kevers, vlinders vliegen; de jongen leren vliegen; hoog, laag, in kringen vliegen ; — in fig. uitdr.: hij vliegt niet hoog, munt niet uit door scherpzinnigheid; — hoger willen vliegen dan men kan, een hogere staat voeren dan waartoe men bemiddeld is; — hij wil vliegen eer hij vleugels heeft, hij onderneemt iets wat zijn krachten te boven gaat; — (gemeenz.) hij ziet ze vliegen, hij is niet goed wijs, zijn verbeelding werkt te sterk; (Zuidn.) hij heeft grote honger;
2. zich met een vliegmachine door de lucht bewegen : leren vliegen ; — per vliegmachine reizen: hij is naar Athene gevlogen-,
3. zich door vliegen of als op vleugels verwijderen : de vogel is gevlogen, (fig.) de gezochte, de schuldige heeft een goed heenkomen gezocht; — de aap, het geld is gevlogen, verdwenen; — er een laten vliegen, een wind laten; — (zeew.) een touw, de schoot laten vliegen, in eens losgooien;
4. zich zeer snel, als een vogel voortbewegen, snellen: dat paard vliegt er vandoor; de meid vloog het huis uit; waar vliegt hij heen!, waarheen gaat hij zo snel?; iem. tegemoet, vliegen;op iemands wenken vliegen, hem zeer snel gehoorzamen ; — in iemands armen vliegen , snellen; — iem. om de hals vliegen, hem met vervoering omhelzen ;

iem. in het gezicht vliegen, hem onstuimig te lijf gaan ; iem. in ’t haar vliegen, bij de haren trekken; ook fig. van een woordenstrijd; — alles vliegt hem van de hand, hij is vlug in hetgeen hij doet; — de tijd vliegt, gaat snel voorbij ; — de ogen vliegen hem door het hoofd, hij merkt verbazend snel alles op ;

5. zweven, op een luchtstroom voortbewogen worden: het stof vliegt in de lucht;
6. door een voortstuwende kracht snel door de ruimte gaan of geworpen worden : de steen vloog door,het raam ; de kogels vlogen hun om de oren; de bijl vloog van de steel; — (oneig.) er uit vliegen, (van pers.) weggejaagd, ontslagen worden: als dat nog eens gebeurt, vlieg je er uit; — in brand vliegen, (snel) ontbranden ; — in de lucht vliegen, door een ontploffing uiteengereten worden zodat de delen zich overal heen verspreiden: de kruittoren, het schip vloog in de lucht, ontplofte door kruit; zij en alles in de lucht vliegen;

7. (bouwk.) vooroverhellen: de muur, dat huis vliegt; 8. door vliegen in zekere toestand brengen : de kanarie heeft een glas stuk gevlogen; zich moede, een ongeluk vliegen. Zie ook Vliegend.