(verbrijzelde, heeft en is verbrijzeld),
1. tot kleine stukjes slaan, vergruizen, vermorzelen : glas, een beeld verbrijzelen ; zij werden verbrijzeld In de poort (Job 5:4); — (fig.) verpletteren: dat bericht .heeft haar hart verbrijzeld,; 2. in kleine stukjes uiteenvallen of daarin verdeeld worden.