Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Vaar

betekenis & definitie

I. VAAR

m., samentrekking van vader, daarnaast als verkl.

II. VAAR

m., (veroud.) angst, schrik; thans nog in Z.-Ned. in de verb. : man zonder vaar noch vrees.

III. VAAR (<Lat.), o., (lierald.) voering, uit klok- of schildvormige vakjes, beurtelings van zilver en azuur samengesteld.

IV. VAAR zie varent (II).

V. VAAR

bn., (van koeien),

1. die men niet heeft laten bevruchten doch doormelkt, hetzij om ze een jaar te laten overslaan met kalven, hetzij , wat meestal het geval is, om ze vet te mesten en te slachten: vare koeien worden doorgemolken; een koe vaar houden; vgl. Vaarkoe;
2. (gew.) droog, geen melk gevend;
3. (gew.) die geen kalf wil opnemen, onvruchtbaar.