Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Uitspraak

betekenis & definitie

v. (...spraken),

1. het uitspreken : bij de uitspraak van die klank is de mond slechts weinig geopend;
2. wijze van uitspreken : de uitspraak van het Engels is moeilijk te leren ; een goede, slechte, zuivere uitspraak hebben; men hoort aan zijn uitspraak, uit welke streek hij komt; de uitspraak is er bij aangegeven;
3. het uiten, bekendmaken van iets, inz. van een rechterlijk oordeel, vonnis, beslissing: uitspraak over 8 dagen ; bij rechterlijke uitspraak;
4. hetgeen uitgesproken is; gezegde waarin een bep. mening wordt geuit, waarin iets geponeerd wordt: een der beroemde uitspraken van Pascal; — vonnis : de uitspraak luidde : 8 dagen hechtenis.