Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Toeleggen

betekenis & definitie

(legde, lei toe, heeft toegelegd, toegeleid),

1. geven: iets toeleggen, een bijdrage leveren, iets inbrengen: wij moeten elk ons deel toeleggen om een rijtuig te huren;
— inz. van een som gelds: ik zal hem een daalder per week toeleggen:
— van een periodieke uitkering: zij wilden hem gelijke wedde en gelijke voorrechten als zijn jongere ambtgenoot toeleggen; iem. een gratificatie toeleggen;
2. er bovenop leggen, extra geven, inz. bij een handelstransactie: de regering legt zes cent toe op elk brood; ik moet er geld op toeleggen;
— (Zuidn.) er aan toeleggen, meer uitgeven dan ontvangen; (fig.) ergens de kwade gevolgen van ondervinden, het bezuren;
3. (scheepsb.) klaar-, gereedleggen, inz. van de ongeconfectionneerde ijzeren platen die tezamen een dek, schot enz. moeten vormen, ze naast elkaar leggen om er de maten, openingen enz. op aan te geven: een mast toeleggen; een ra toeleggen, afschrappen, mallen, tekenen; de spanten toeleggen, klaarleggen;
de riemen toeleggen, na het opzetten de riemen in de scheegaten of de dollen leggen om zo tot het roeien gereed te zijn;
4. het toeleggen op, aansturen, het aanloggen, het gemunt hebben op: het op iemands leven toeleggen; gij legt het er op toe, kwade vrienden te worden;
zich op iets toeleggen, zich met volle aandacht, met grote ijver er mee bezighouden, zijn best er voor doen: zich op de wiskunde toeleggen:
5. dichtleggen, sluiten: een put met planken, een luik toeleggen; een graf toeleggen. de steen op een graf leggen.