(ging toe, is toegegaan),
1. (veroud.) in een zekere richting gaan, ergens heen gaan: laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade (Hebr. 4 : 16);
2. (viss.) het net uitzetten;
3. in zijn werk gaan, plaats hebben, gebeuren: hij let of alles behoorlijk toegaat in huis; zo gaat het in de wereld toe, zo is de loop der dingen in deze wereld; het gaat er vreemd toe, er gebeuren vreemde dingen;
4. gesloten worden, dichtvallen: de deur ging toe; de dagen gaan maar open en toe, zijn zeer kort; het venster wil niet toegaan, ik kan het niet sluiten; de wond gaat toe, geneest, sluit zich; de rivier is toegegaan, toegedreven, -gevroren.