Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Tafel

betekenis & definitie

v. (-s, -en),

1. gewoon stuk huisraad, hoofdzakelijk bestaande uit een horizontaal blad, dat op één of meer poten rust, om daarop wat te zetten, te leggen of daaraan wat te verrichten : een vierkante, een ronde tafel; tafel op één poot; neerslaande tafel, waarvan men het blad kan neerlaten;
2. inz. voorwerp als onder 1. genoemd, waaraan men zit om de daarop geplaatste spijs en drank te nuttigen ; eettafel: een welvoorziene, een goede tafel, die van goede spijs en drank rijkelijk voorzien is ; aan tafel gaan, om te gaan eten ; aan tafel zijn, zitten, bezig zijn het (middag)maal te gebruiken (te onderscheiden van aan de tafel zitten, tot het verrichten van enige werkzaamheid); aan tafel moet men niet veel spreken, onder het eten ; iem. aan zijn tafel nodigen, ontvangen, laten aanzitten ; het was daar een tafeltje welbereid, een welvoorziene dis ; het ontbijt staat op tafel-, (zegsw.) hij kijkt bij Onze-Lieve-Heer op tafel, schertsend gebezigd met betr. tot een zeer lang persoon ; (Zuidn.) ergens zijn benen onder tafel steken, er gaan eten ; zijn benen onder een anders tafel hebben of steken, geen eigen tehuis hebben waar men baas is ; bij iem. tafel en bed hebben, een goed thuiskomen ; (recht.) van tafel en bed scheiden, de samenwoning doen ophouden krachtens openlijk bekend gemaakte rechterlijke uitspraak, zonder nog de huwelijksband te verbreken ; — de tafel dekken, voor het maal gereedmaken; de tafel afnemen, (zegsw.) iem. onder de tafel drinken, zo lang tegen iem. opdrinken, tot hij van zijn stoel onder de tafel rolt; onder de tafel liggen, door dronkenschap ;
3. (Prot.) avondmaalstafel : zich voorbereiden om aan tafel te gaan ; tot de tafel des Heren naderen ; — (R.-K.) de heilige tafel, communiebank : tot de heilige tafel naderen, te communie gaan ;
4. gelegenheid tot het nuttigen van maaltijden : de tafel werd hem ontzegd ; tafel houden ; open tafel houden, ieder gastvrij onthalen;
5. datgene wat er wordt opgedist: koude tafel; Europese tafel; dat hotel is bekend om zijn goede tafel; zijn tafel kost hem niet veel, hij geeft niet veel voor zijn maaltijden uit;
6. het verblijf aan een tafel (2.), het eten : de tafel heeft vandaag lang geduurd; vóór tafel een bittertje drinken; na tafel een wandeling maken ; — over tafel, onder het eten : men sprak er over tafel van;
7. meubel als onder 1. genoemd in een café, een feestzaal enz., waaraan de bezoekers plaats nemen en waarop hun consumptie wordt geplaatst: een tafeltje dicht bij het dansorkest;
8. personen die gezamenlijk aanzitten : de gehele tafel lachte; de candidaat tracteerde zijn tafel op wijn; de tafel bedienen, de gasten ; wij faalden daar een besloten tafel, een vast tafelgezelschap, waarbij geen anderen werden toegelaten;
9. voorwerp als onder 1. genoemd waarop zekere categorie van personen zijn werkzaamheden verricht, of dat als steun dient voor iets dat bewerkt moet worden : een waterpasse, gegoten ijzeren tafel : — de tafel van de kleermaker ; op tafel zijn, als kleermakersgezel werkzaam zijn ; — blad of schragen of poten, waarop zaken ten verkoop worden uitgestald, o.a. bij publieke verkopingen : het volgende nummer komt op tafel-, — (vero.) de tafel voor iemands deur brengen, iemands inboedel publiek gaan verkopen ;
10. (meton.) (aan de Algemene Rekenkamer) de Eerste Tafel, de leden die de inkomsten nagaan, terwijl de Tweede Tafel de uitgaven controleert;
11. voorwerp als onder 1. genoemd, gewoonlijk met groen laken bedekt, waaraan de deelnemers aan een vergadering gezeten zijn: de groene tafel, tafel waaraan het bestuur zit (in een vergadering), tafel der ministers in een landsvergadering; een voorstel ter tafel brengen, (in een vergadering) ter sprake brengen, aan de orde stellen ; ter tafel komen, in een vergadering in behandeling of ter sprake komen ; — ridders van de ronde tafel, ridders van koning Arthur (in de middeleeuwen);
12. meubel als onder 1. bedoeld, gebruikt om er een spel op te spelen, in ’t bijz. een kaartspel: de kaarten of tafel leggen ; —(Zuidn.) op tafel, met de kaarten open, ouvert(e): miserie op tafel; — de groene tafel, de speeltafel, de speelbank ;
13. (meton.) groep van samenspelenden: wij zullen op ons kaartavondje met ons twaalven zijn en hebben dus drie tafeltjes;
14. in telefooncentrales: soort van kast waaraan de dienstdoende telefonisten gezeten zijn, bestaande uit een kort horizontaal blad op onderstuk, waarop de verbindingssnoeren en de sleutels gemonteerd zijn, en een verticale opzet waarop de verbindingsklinken zijn gemonteerd;
15. (bloembollenteelt) verdieping van een bollenstelling: te koop : een bollenstelling, negen tafels hoog;
16. plaat van een of andere stof; in techn. gebruik in de regel een barbarisme, meestal een navolging van Hd. tafel, het Ndl. woord is plaat of blad; — plaat van steen, hout, metaal enz. ter herinnering aan of vermelding van een of ander feit, gewoonlijk voorzien van of bestemd voor een opschrift: de tafelen der wet, de stenen tafelen, de stenen platen waarop Mozes de wet had geschreven ; — de twaalf tafelen, waarop de oudste wetten der Romeinen gegrift waren ;
17. (hist.) met was bestreken plankje bestemd om er iets op aan te tekenen, wastafeltje ;
18. tabel, register : genealogische tafels ; chronologische tafels ; tafel der oude en der nieuwe maten ; — aanwijzende tafel van het kadaster, opgave, staat; — de tafels van vermenigvuldiging, kortweg tafels genoemd : de tafel van vier, de reeks 1 x 4 = 4 ; 2x4 = 8 enz., tot 10 x 4 toe ;
19. een der vlakken van een geslepen edelsteen, t.w. het bovenvlak dat evenwijdig aan de ringvlakte is ;
20. gedeelte van sommige zaadkorrels, t.w. de top van het steeltje ;
21. metalen onderdeel van een petroleumlamp, waaromheen de vlam der (ronde)pit brandt;
22. honigraat;
23. (wev.) dat gedeelte geweven goed, dat de wever vóór zich heeft als hij aan het weven is, derhalve het gedeelte tussen beet en borstboom.