Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Taak

betekenis & definitie

v. (taken), werk dat iem. is opgelegd, arbeid die verricht moet worden: iem. een taak opgeven, opleggen; de jongen heeft een taak gekregen, hij moet, om in de hogere klasse te worden toegelaten, in de vacantie een zekere hoeveelheid werk maken: overgaan met een taak; — op taak werken, arbeid verrichten waarbij men betaald wordt voor een zekere hoeveelheid werk; — een taak van iem. overnemen; iem. met een taak belasten; een taak aanvaarden, op zich nemen; een taak afmaken, volbrengen; zich van een zaak kwijten; zich ten taak stellen; niet voor zijn taak berekend zijn; een zware, een gewichtige taak.