Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

STIJL

betekenis & definitie

I. m. (-en),

1. overeindstaande, in de bodem vastgezette balk of paal;
2. (bouwk.) opstaand stuk dat andere delen ondersteunt of schraagt: stijlen en balken; inz. constructiedeel waaraan een draaiende deur, hek of venster is opgehangen en waartegen deze aanslag vindt; elk der beide opstaande delen waarin een schuif (een venster) loopt: iem. de stijlen van de deur 'platlopen, er veel te druk komen, zodat hij het lastig vindt; (zegsw., Zuidn.) het hek aan de oude stijl laten hangen, de zaken laten in de toestand waarin zij zijn; — opstaand constructiedeel dat een wand, vooral een dam- of sluiswand, zijdelings steunt of draagt;
3. opstaand, lang en smal steunend of schragend deel van een toestel, een vervoermiddel, een meubel: stijlen die de steunpunten vormen voor de vleugelliggers van het vliegtuig;
4. spijl van een hek of traliewerk: het kleine hekwerkje bovenaan het schrijfbureau miste enige krullen en stijlen;

II. m. (-en), (oorspr. stift waarmee de Ouden op hun met was overdekte tafeltjes schreven; het boveneind was afgeplat om daarmee het geschrevene weg te wrijven; vand.);

1. schrijfwijze, wijze van zich in geschrifte uit te drukken: verheven, gezwollen, alledaagse stijl; de Oosterse stijl is beeld- en woordrijk, de Laconische stijl is bondig en pittig; bevallige, bloemrijke, hartstochtelijke stijl; historische, verhalende, dichterlijke, ambtelijke stijl;iemands stijl, de hem eigene en hem kenmerkende schrijftrant;
2. minder vaak met betr. tot het verzorgde, gesproken woord: een rede wegslepend van stijl;
3. (pregnant) goede stijl: stijl hebben, goed schrijven of goed geschreven zijn;
4. (van kunstwerken) harmonische eenheid in vormgeving, kleuren, tonen: de hogere vorm die stijl heet;
5. geheel van bij elkander aansluitende uitdrukkingsvormen, die kenmerkend zijn hetzij voor een bepaald kunstenaar, hetzij, in de regel, voor een bepaalde school of richting of een bepaald tijdperk: de Gothische, de Romaanse, de Moorse stijl, in de bouwkunde; de stijl van Rembrandt; de polyphone, contrapuntische, klassieke stijl, in de muziek; — (sport) de goede stijl bij het roeien;
6. (ouderw.) manier van handelen: is dat een stijl van huishouden; — (gew.) dat is geen stijl van doen, geen manier van handelen; — levenswijze: de stijl van vroeger dagen;
7. opzet, wijze van aanpakken en uitvoeren: een aanval, een debat in grote stijl;
8. stelsel van tijdrekening: de oude stijl (O. S.), tijdrekening vóór Gregorius XIV; de nieuwe stijl (N. S.), de Gregoriaanse tijdrekening: de oude en de nieuwe stijl verschillen tien dagen: 5 Oct. oude stijl is 15 Oct. nieuwe stijl;
9. (plantk.) buisvormig middelste gedeelte van de stamper, tussen stempel en vruchtbeginsel;

III. m. (-en), (gew.) zweertje aan het ooglid.