Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

STEM

betekenis & definitie

v. (-men),

1. geluid dat door de stemorganen in het strottenhoofd wordt voortgebracht; ook vermogen om met daartoe dienende organen geluid voort te brengen: vissen hebben geen stem; mijn stem is weg (b.v. bij zware verkoudheid); de grootte van de larynx bepaalt de soort van stem; al was hij op stem geweest, hij had toch niet gezongen; hij is goed bij stem;
2. geluid door het stemorgaan voortgebracht, dat kenmerkend is voor een persoon; het individuele vermogen om dat stemgeluid voort te brengen: ze kon iets medelijdends in haar stem leggen; iem. aan zijn stem herkennen; een heldere, doffe, zwakke, fijne stem; een stem als een klok, die zeer ver klinkt; — de stem wisselt (bij knapen in hun puberteitsjaren), gaat over van kinderstem tot mannenstem; — met betr. tot het gebruik dat men op zeker ogenblik van zijn spreekorganen maakt: zijn stem verheffen, laten zakken, harder, zachter spreken; met luider stem(me), luidop; — zijn stem veranderen, daaraan een andere klank geven; — er gaat een stem, er gaan stemmen op, men hoort in het openbaar zeggen; naar iemands stem horen, luisteren; aan iemands stem gehoor geven, doen wat hij verlangt; een waarschuwende stem; de stem eens roependen in de woestijn, zie bij Roepen; — (oneig. of fig.) (bijb.) de stem des Heren, de donder; de stem des bloeds, der natuur, der rede, van het geweten, van het hart; — de stem van de donder; de stem van de wind; de stemmen der klokken, van het orgel; — bij het zingen: hij heeft geen stem, hij kan niet zingen; een goede, mooie, geoefende, versleten stem hebben; zij is haar stem kwijt, heeft haar stem verloren, zij kan niet meer zingen; de stemmen der vogels;
3. zangpartij van een partitie of partituur: de eerste, tweede, derde stem zingen; de stemmen uitschrijven; — eert. zeer gewoon ter aanduiding van de melodie waarop een lied gezongen kon worden;
4. geluid dat door de gezamenlijke stemorganen van een aantal mensen of dieren wordt voortgebracht: ik hoorde als een stem ener grote schare, (Openb. 19:6);
5. register van een orgel: de tedere stemmen als vox angelica, viola da gamba; een stem van acht voet;
6. blijk van gevoelen dat men geeft bij een stemming of verkiezing: zijn stem uitbrengen over; stemmen verzamelen, opnemen; de stemmen waren tegen hem; bij meerderheid van stemmen; de meeste stemmen gelden, de mening van de meerderheid beslist; — stemmen vertegenwoordigen (in een vergadering), recht hebben op het uitbrengen van een zeker aantal stemmen; de stemmen staakten, er waren evenveel leden die voor als leden die tegen stemden;
7. recht om te stemmen: zitting en stem hebben (in een vergadering), bevoegd zijn in een vergadering deel te nemen aan het beraadslagen en besluiten; stem in het kapittel hebben, (fig.) ook iets te zeggen hebben;
8. gevoelen, mening, oordeel: er was maar één stem over hem, over de de zaak; (spr.) de stem des volks is de stem van God (of stemme Gods), vox populi, vox Dei, een door het volk algemeen uitgedrukt verlangen berust meestal op redelijke gronden;
9. goedkeuring, inwilliging, toestemming: zijn stem tot iets geven;
10. (taalk.) het trillen der stembanden bij het uitspreken van bepaalde spraakklanken: d,z,b worden met stem uitgesproken.