Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

SPLIJTEN

betekenis & definitie

(spleet, heeft en is gespleten),

1. (overg.) door een slag, gewoonlijk met een scherp voorwerp, uiteendrijven in de lengterichting der structuur: diamanten, tenen splijten-, iets in tweeën, drieën splijten; met een sabelhouw iem. het hoofd in tweeën splijten; dat hout laat zich gemakkelijk splijten.
2. (onoverg.) door een slag, schok of ruk uiteenvallen of een scheur krijgen, inz. in de richting der structuur: die plank is gespleten; de aarde splijt van de hitte. Zie ook Gespleten.