Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

SPIJS

betekenis & definitie

I. v. (...zen),

1. voedsel, voeding, eten : spijs en drank ; voedzame, krachtige spijs; het gaar maken van de spijzen in een hooikist; — (fig.) spijs der ziel; — (spr.) verandering van spijs doet eten, verandering geeft nieuwe lust;
2. voedsel van een bepaalde soort, gerecht: heerlijke spijzen opdissen ; — dat is mijn spijs, daarvan houd ik zeer veel.

II. v. (...zen),

1. uitgegraven of opgebaggerde grond ; specie ;
2. grondstof voor gietwerk, gesmolten metaal, vgl. klok-, letter spijs ;
3. bijproduct aan andere metalen, dat men bij het uitsmelten van een bepaald metaal uit zijn erts verkrijgt;
4. (Zuidn.) metselspecie ;
5. (Zuidn.) deeg, beslag ;
6. mengsel bestaande uit amandelen, suiker, geraspte citroenschil en eieren; amandelpers;
7. (Zuidn.) vulling of belegsel van een taart, vla of dergelijk gebak;
8. (Zuidn.) moes of jam van vruchten ;
9. (Zuidn.) weke massa, moes.