Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

SMIJTEN

betekenis & definitie

(smeet, heeft gesmeten),

1. (Zuidn.) (overg.) een slag, slagen geven : iemand smijten;
2. (Zuidn.) (overg.) door een slag, door slagen in de toestand brengen die een bepaling uitdrukt: iets in stukken smijten ;
3. (overg. en onoverg.) werpen; vroeger in het alg., thans alleen hard werpen, gooien : met stenen naar iem. smijten; iem. op de grond, tegen de muur smijten; iets door de ruiten smijten ; met de deuren smijten, ze hard dichtgooien ; — (flg.) iem. iets naar het hoofd smijten, het hem (ruw) verwijten ; — met geld smijten, veel geld uitgeven ; — (recht.) hij heeft het voor Arnhem gesmeten, is daar in hoger beroep gegaan ;
4. (van paarden) slaan : dit paard smijt wel eens.