Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

SLIPPER

betekenis & definitie

I. m. (-s),

1. windsel van touwwerk dat niet houdt, maar laat slippen;
2. een slipper(tje) maken, ongemerkt weggaan uit zijn werk, van huis; een snoepreisje maken.

II. (<Eng. sleeper), m. (-s), dwarsligger.

III. (Eng.), m. (-s), pantoffelslak of muiltje, een sinds ±1930 in onze kustwateren voorkomende waterslak (Crepidula fornicata) die zich op schelpen vastzet en daardoor schadelijk is voor de oestercultuur.