Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

SLIKKEN

betekenis & definitie

I. (slikte, heeft geslikt),

1. door het keelgat doen gaan: een walgelijk drankje moeten slikken; pillen slikken; — (fig.) dit is een harde pil om te slikken, iets zeer bitters, een pijnlijke vernedering; — (oneig.) iets slikken, a. het zich laten welgevallen; b. het voor waarheid aannemen;

(Zuidn.) er overheen komen, het verwerken; — iem. slikken, zijn gezelschap voor lief nemen;

2. (abs.) de slikspieren laten werken: hij kan haast niet slikken, zo is zijn keel gezwollen;
3. (Zuidn.) (van een gracht, een kanaal enz.) het water afvoeren, verzwelgen: de gracht kan het water niet slikken;
4. (gew.) snoepen.

II. (slikte, heeft geslikt),

1. slik uit de sloot halen, baggeren;
2. gedroogd veen in stroken en stukken verdelen, riemen.