Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Slecht

betekenis & definitie

bn. bw. (-er, -st),

1. effen, glad, thans alleen in bijzonder gebruik: slecht water, slechte zee, effen, kalme zee; — vgl. Slechthamer; — (gew.) de slechte straat, de kleine stenen der straat aan de huizenkant; — een slecht en recht plafonnetje, zonder randen of versieringen, glad, eenvoudig;
2. (veroud., gew.) eenvoudig: een goede, slechte man, een braaf, eenvoudig man; hij is slecht in al zijn doen en laten, eenvoudig en eerlijk, zal niemand te kort doen; — een slecht kleed: — (muz.) een slechte noot, een noot op het lichte maatdeel;
3. (veroud.) onnozel;
4. gering, onaanzienlijk: een ridder, arm en slecht; iemand van slechte afkomst;
5. van weinig waarde, van minderwaardige kwaliteit: slechte muziek, slechte verzen; slecht papier; slechte voeding; slechte aardappelen; slechte tanden; slechte sigaren roken; een slecht merk: zilver en goud van slecht allooi, van een gering gehalte: — slecht weer, onaangenaam of voor het werk hinderlijk weer, storm en regen;
6. gebrekkig, onvoldoende: slecht schrijven, spreken; dat is slecht betaald, slecht vertaald; aan ’t werk slecht opschieten; — hij heeft slecht geslapen; hij is slecht gekleed; jij kent hem maar slecht; een slechte reuk hebben, niet goed kunnen ruiken; ik ben slecht van gezicht, kan niet goed meer zien; — niet slecht, vrij goed, tamelijk wel: dat ziet er niet slecht uit; niet slecht gedaan;
7. verkeerd: hij deed een slechte keus;
8. ongunstig: hij heeft slechte vooruitzichten; een slecht rapport; een slechte tijding; ik heb een slechte dag gehad, ik ben niet voorspoedig geweest, had tegenspoed; hij is er slecht aan toe; het gaat hem slecht; de tarwe staat slecht; — (van een stemming of neiging) een zeer slechte luim; dat werkt slecht op zijn humeur, brengt hem in kwade luim;
9. (in geldelijk opzicht) niet voordelig: de handel is slecht, er gaat niet veel om; slechte zaken doen; zijn zaken staan slecht; de slechte tijd;
10. ziekelijk, zwak, mager: hij ziet er slecht uit; de zieke ligt slecht, hij is ernstig, levensgevaarlijk ziek; de zieke wordt slechter, gaat achteruit;
11. niet goed in zedelijk opzicht, verdorven, onzedelijk: een slechte kerel; hij is slecht voor zijn vrouw en kinderen; dat is slecht van je; — een slechte vrouw, een lichtekooi; slechte zeden; een slecht huis, een bordeel; een slecht leven leiden; slechte boeken, gesprekken; — iem. bij een ander slecht maken, hem zwart maken;
12. (bw.) niet dan met moeite, bijna niet: dat zal maar slecht gaan; een slecht verborgen wrok;
13. (bw.) moeilijk: dat gaat slecht; je kunt toch slecht gaan vragen of hij het terug wil nemen.