Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

S, afkortingen

betekenis & definitie

1. (in Latijnse eigennamen) Sextus, Servius;

2. (Lat.) salus, heil, welzijn;
3. (Lat.) senatus, senaat;
4. (Lat.) signum, (It.) segno, teken, merk;
5. (Lat.) Sanctus, heilig(e); vgl. St.;
6. (It.) solo (muz.), zie aldaar;
7. (It.) soprano (muz.), zie aldaar;
8. (in natuurkundige formules) schootsverheid;
9. (chem.) sulfur, zwavel;
10. (op horloges) (Eng.) slower, langzamer ;
11. stère, kub. meter;
12. (Eng.) steamer, stoomschip ;
13. (It.) Signor, de heer;
14. (Eng.) South, Zuid.