Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Rust

betekenis & definitie

v. (-en),

1. de toestand die intreedt (en het zich overgeven daaraan) bij het ophouden van arbeid, moeite of inspanning : na de morgenarbeid volgt een uur rust; de rust op de vlucht naar Egypte ; rust nemen; rust voor lichaam en geest; — (mil.) rust! commando om aan te geven dat de militairen niet meer in de voorgeschreven houding in het gelid hoeven te staan ;
2. natuurlijke ontspanning door de slaap : zich ter ruste leggen, begeven, naar bed gaan, gaan slapen ; hij is in diepe rust, hij slaapt vast;
3. (fig.) het eind van alle moeiten des levens, de dood, ook het graf: deze stille plaats der rust; zijn hoofd te(r) rust(e) leggen; — de eeuwige rust, de dood, ook het vrij-zijn der ziel van smart: bidden voor de rust van een gestorvene;hij is reeds in ruste, hij is reeds gestorven ;
4. het vrij-zijn van bezig- of werkzaamheden, bep. na het neerleggen van ambt of bedrijf: minister, gouverneur-generaal in ruste, die zijn ambt heeft neergelegd; — rust roest, zie Roest;
5. het vrij-zijn van of de afwezigheid van drukte, last of hinder: de zieke moet rust hebben;iem. met rust laten, hem geen hinder veroorzaken, niet lastig vallen;
6. het vrij-zijn van of de afwezigheid van ongenoegen, onenigheid, twist, verwarring, oorlog : op rust gesteld zijn ; de huiselijke rust; in rust en vrede leven, ongemoeid, door niemand lastig gevallen ; na de lange oorlogsjaren keerde eindelijk de rust in Europa terug; — openbare orde: de rust bewaren, herstellen; de openbare rust, de rust van de Staat verstoren ; het land is in volkomen rust;
7. ongestoorde, gelijkmoedige toestand der ziel, van de geest, het gemoed : rust vinden in het geloof; tot rust komen; zijn rust hangt er van af ; rust noch duur hebben ;
8. afwezigheid van geluiden, stilte: niets dat de rust verstoort;
9. afwezigheid van beweging, bewegingloosheid, het blijven van enig lichaam op dezelfde plaats : een lichaam in rust; in de toestand van rust; hij kan geen ogenblik in rust blijven, hij beweegt voortdurend; niets is er in volstrekte rust, alle rust is betrekkelijk;iets met rust laten, er niet aan komen; — van de haan van pistolen en geweren: niet gespannen ;
10. afwezigheid van verandering: de rustige rust;
11. (muz.) pauze: twee, drie maten rust; een kwart rust, zolang een kwartnoot duurt; — teken daarvoor: hier staat een rust;
12. caesuur in een versregel;
13. steunpunt van een hefboom; insnijding : de rust van een handvuurwapen, inrichting aan het sluittoestel om te bewerken dat het wapen niet kan worden afgeschoten ;
14. middelste gedeelte van een hoogoven ;
15. (scheepsb.) ben. voor de houten of ijzeren balken die in de zijden onder liet want worden aangebracht en dienen om grote sprei te geven aan onderwant en pardoens : bij de latere schepen kwamen de rusten buiten boord te vervallen en werden deze vervangen door oogplaten die aan de binnenzijde van de berghoutsgang geklonken waren.