(<Fr.), v. (-s, -n),
1. eig. het in puin vallen, instorten van een bouwwerk; (overdr.) ondergang, verderf, verwoesting; in ’t bijz. verlies van vermogen of fortuin.
2. overblijfsel van een verwoest of door de ouderdom vervallen gebouw, bouwval: de ruïne van Brederode; de ruïnen der verwoeste steden; — oneig.: het is een ruïne, alles ligt er door elkaar.
3. (fig.) droevig overblijfsel: hij was een ruïne geworden, zijn vroegere kracht en gezondheid waren geheel verdwenen.