Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Richten

betekenis & definitie

(richtte, heeft gericht),

1. recht maken: een ontlaadstok richten, een gebogen ontlaadstok recht maken ; blik, ijzeren platen richten, alle bulten en ongelijkheden er uit kloppen;
2. recht overeind brengen, oprichten : de gebinten van huizen, schuren richten, oprichten en voorlopig, zoveel nodig, bevestigen;
3. in een rechte lijn komen of brengen : een compagnie richten, het front er van in een rechte lijn brengen; rechts, links richten, het commando daartoe ; zich richten, in het gelid gaan staan;
4. (fig.) naar iem. of iets schikken, regelen, iem. of iets ergens in of bij tot „richtsnoer”, tot voorbeeld nemen : zich naar iem. richten ; richt u naar uw broeder, handel zoals hij ; zich naar de smaak van de koper richten ; die vrouw richt zich in alles naar haar man, zij ziet hem naar de ogen;
5. in een bepaalde richting brengen, plaatsen, stellen : iets horizontaal, verticaal, loodrecht, evenwijdig richten ; — (mil.) een kanon, een geweer richten, het zodanig stellen dat het projectiel het doel zal kunnen treffen ; direct, indirect richten ; op het kernschot richten, het mikpunt horizontaal nemen; — (zeilv.) de zeilen naar de wind richten; dat tuig is goed gericht, de raas zijn vierkant en waterpas gebrast en getopt; — zijn ogen ten hemel richten ; het oog op iem. richten, naar hem zien ; het oog richten op een zedelijk doel, dit nastreven; — zoeklichten op de kust richten ; — (spoorw.) het spoor richten, in de juiste richting brengen ; — zich tot iem. richten, zich naar hem toekeren om hem aan te spreken ; — (fig.) gericht zijn tegen, vijandig staan tegen : allen waren tegen hem gericht; dat verbond was gericht tegen Duitsland; de tegen de Kerk gerichte maatregelen;
6. een bepaalde kant, ergens heen doen gaan: waarheen zult ge uw reis richten? zijn schreden richten naar; de steven richten naar het vaderland; de koers noordwaarts richten; — zijn gedachten, opmerkzaamheid op iets richten ; hun streven was gericht op volkomen medezeggenschap, dit beoogden zij ; het onderwijs was meer gericht op het aanbrengen van kennis, dan op ontwikkeling;
7. sturen, zenden: een brief, een schrijven aan de Burgemeester richten ; — ook van mondelinge, of als zodanig voorgestelde mededelingen: een vraag aan de voorzitter richten ; zijn gebed tot God richten ; het woord tot iem. richten, hem toespreken ; — iem., iets te gronde richten, ruïneren, naar de kelder doen gaan;
8. leiden, besturen : iemands gangen richten;
9. recht doen, oordelen : God zal eenmaal richten tussen u en mij; hem richte ’t nageslacht, dat het nageslacht over hem oordele ; — (bijb.) in gerechtigheid zult gij uw naaste richten (Lev. 19 : 15); — inz. van God, met betr. tot het laatste oordeel: de Heer zal richten, hij komt gewis; — (onoverg.) met grote gestrengheid richtte de keizer over zijn tegenstanders;
10. (ouderw.) terechtstellen, de doodstraf aan iem. voltrekken : met den zwaarde richten;
11. (veroud.) besturen, regeren: God die alles hier op aarde richt (Conscience).