Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Register

betekenis & definitie

(<Fr.), o. (-s),

1. (vero.) boek waarin geregeld aantekeningen geschreven worden, journaal; vgl. dagregister:
2. inscnirijvings-, aantekeningboek; rol, naamlijst; boek (ook kaartsysteem) waarin akten, contracten, verklaringen enz. wettelijk worden opgetekend ; vgl. handelsregister ; — de registers van de burgerlijke stand, boeken waarin bij de burgerlijke stand de geborenen, overledenen en gehuwden worden opgeschreven; geboorte-, sterf- en trouwregister; — (fig.) op het zwarte register staan, een slechte naam hebben;
3. alfabetisch gerangschikte inhoudsopgave van een boekwerk, bladwijzer: het register zet men gewoonlijk aan het einde van een boek; Mossel heeft een goed register; zaak-, namen-, woordregister;
4. (boekdr.) lijst van signaturen; het doen overeenstemmen of de overeenstemming in de paginering van schoon- en weerdruk;
5. (org.) orgelstem; de gezamenlijke, elkaar opvolgende pijpen die tot dezelfde stem behoren;
6. knop terzijde van het klavier, door welks verschuiving men de pijpen van een register (5.) doet spreken: een register uithalen; (fig.) al de registers uithalen, zijn stem zo luid mogelijk verheffen; — in een ander register spelen, een ander register trekken, (fig.) het over een andere boeg wenden;
7. (muz.) omvang van de stem bij een bep. gebruik van de stembanden: de voornaamste registers zijn het borstregister en het kopregister;
8. trekschuif bij iedere roosterconstructie; — oventrekgat.