I. (raveelde, heeft geraveeld), (timm.) (van een balk) deze niet tot de muur laten doorlopen, doch ondervangen door een dwarsbalk: de middelste balk is in het midden geraveeld.
II. (raveelde, heeft geraveeld), (Zuidn.)
1. (onoverg.) zich dwaas aanstellen, wild heen en weer lopen : hij heeft de hele dag op straat geraveeld;
2. (overg.) (van kleren) vuil en kapot maken: hij raveelt zijn kleren met vechten en springen.