Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Raad

betekenis & definitie

m. (raden, in de bet. I, 3. ook raadgevingen),

I. als ben. voor abstracta.
1. (veroud.) wat men in zijn geest overdacht heeft cn ten uitvoer wil brengen, plan: verijdeld werd uw boze raad (Tollens); — Gods raad, het eeuwige plan dat hij met de wereld en de mensen heeft: niemand kan Gods raad doorgronden; — te rade worden, het plan opvatten, besluiten: ik ben met ’s lezers welnemen te rade geworden dit werkje samen te stellen (Busken Huet); — (rechtst.) met voorbedachten raad (rade), volgens een vooropgezet, weloverlegd plan: hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft, art. 289 W.v.S.; — (zegsw.) komt tijd, komt raad; de nacht brengt raad;
2. (inz. in vaste verb.) datgene wat men weet of bedenken kan als uitweg uit een bep. moeilijkheid of als middel om iets te bereiken: geen raad weten, geen uitweg weten uit de moeilijkheden waarin men zich bevindt, wanhopig zijn; hij weet overal raad op; daar is wel raad voor, daar is wel wat op te vinden; raad weten met iets, weten wat men er mee moet doen; geen raad weten met iets, niet weten wat men er mee moet beginnen, er mee verlegen zitten: hij weet met zijn geld, zijn lege tijd geen raad, weet niet hoe die goed te besteden, heeft er te veel van; ik weet met die jongen geen raad ; hij weet met zijn handen geen raad, weet niet hoe die op passende wijze te houde : raad schaffen, een middel, een oplossing vinden of aan de hand doen ; hij is ten einde (buiten) raad, hij weet geen uitweg meer om uit de moeilijkheden te geraken;
3. datgene wat men tegen een ander zegt, al dan niet op zijn verzoek, om hem te helpen een uitweg uit de moeilijkheden te vinden of een keuze uit mogelijkheden te doen; advies: mijn raad zou wezen, dadelijk ontslag vragen; neem deze raad aan, doe nu wat ik zeg ; het verlenen van genees-, heel- of verloskundige raad of bijstand-, — (R.-K.) de evangelische raden, die men al dan niet kan opvolgen, in tegenst. met de goddelijke geboden; — iem. raad geven; iemands raad inwinnen; raad vragen;
te rade gaan:

a. om advies vragen, raadplegen: bij iem. te rade gaan; met zijn beurs te rade gaan, overleggen of men iets nog betalen of kopen kan, handelen overeenkomstig zijn vermogen; b. kennis nemen van: wie niet met de feiten te rade gaat, stelt zich de zaak verkeerd voor; c. rekening houden met: ga met maat en tijd te rade;

op raad van zijn vader; op mijn raad heeft hij het gedaan, gelaten, omdat ik het hem zo aanraadde ; iem. van raad dienen; iemand met raad en daad bijstaan, hem niet alleen met woorden, maar ook met daden helpen; een raad (op)volgen, handelen overeenkomstig een gegeven advies; een raad verwerpen, of in de wind slaan ; — (Zuidn.) raad na daad komt te laat, ’t is te laat de put gevuld, als het kalf verdronken is; het weer is om raad {uit), is onzeker ; — (spr.) veel raad, weinig baat; goede raad is hier duur, goed advies is moeilijk te krijgen, d.i. er zijn grote moeilijkheden, men weet niet wat te beginnen;
4. (inz. in vaste verbindingen) overleg, meestal tussen twee of meer personen, om een uitweg uit moeilijkheden te vinden of een keuze uit mogelijkheden te doen; beraadslaging, beraad: raad houden , overleg plegen, beraadslagen: hou met hart en beurs eerst goed raad; met, na rijpen rade, na rijp overleg;

II. als ben. voor concreta.

5, persoon die raad (3.) geeft; inz. iem. voor wie het geven van raad een vaste, officiële functie is: (hist.) de eerste en nauwste raden van de hertog waren herhaaldelijk tegenwoordig bij de beraadslagingen; — (hist.) als titel voor leden van een stedelijke vroedschap: raad van Dordrecht; — (thans nog) benoemd tot raad in het bestuur van de polder Walcheren; — Raad van Indië, lid van het hoogste bestuurs- of adviescollege in Ned.-Indië; — als titel van sommige hoge ambtenaren; nog bewaard in de samenst. raad-adviseur;
6. college dat door een regerende macht of door de gemeenschap bekleed is met bep. bevoegdheden; — adviescollege van een regerend vorst of diens plaatsvervanger: de Raad van Bestuur in Suriname, de Raad van State, regeringscollege van 15 personen aan wier oordeel (naast andere werkzaamheden) alle voorstellen, door de Kroon aan de Staten-Generaal of omgekeerd gedaan, benevens alle algemene maatregelen van bestuur, onderworpen moeten worden: den Raad van State gehoord, boven wetten, besluiten enz.; de Raad van Indië, het hoogste bestuurs- of adviescollege in Ned.-Indië, dat de gouverneur-generaal ter zijde staat; de Raad van Vlaanderen, autonome regering door de Vlaamse activisten in 1917 opgericht; (België) Provinciale Raad, te vergelijken met de Provinciale Staten in Nederland; — ben. voor sommige hoge rechterlijke colleges, ten dele voortgekomen uit vorstelijke adviescolleges : de Hoge Raad der Nederlanden, het hoogste gerechtshof van ons land, hof van cassatie; (hist.) de Raad van Beroerten, op 9 Sept. 1567 door Alva ingesteld om de onlusten van 1566 te onderzoeken en te straffen; college waaraan het bestuur over een stad of gemeente opgedragen is, vroedschap, gemeenteraad: hij is lid van de raad; de zittingen van de raad zijn hier altijd op Dinsdag; de raad aflopen, de raadsleden bezoeken om ze voor een persoon of een zaak te winnen; — college van toezicht, handhaving der discipline of overleg bij een bep. beroeps- of standsgroep of bij enige organisatie van andere aard: de Hoge Raad van Adel, ingesteld om adviezen te geven in zaken, de adel betreffende; raad van administratie (bij het leger), ingesteld om uitspraken te doen in zaken die de administratie betreffen: de Raad van Arbeid, instituut dat zijn medewerking verleent bij de uitvoering van dc wettelijke regelingen betr. de arbeidsverzekeringen; Raad van Beheer, belast met het beheer, bestuur van grote maatschappijen; — raad van beroep, college ter beslissing op de beroepschriften betreffende aanslagen der directe belastingen; college ter beslissing van beroepen tegen besluiten der Rijksverzekeringsbank ; orgaan belast met de berechting van de geschillen welke kunnen voortvloeien uit beslissingen van de overheidsorganen bij de uitvoering van de sociale verzekeringswetten ; de Raad van Defensie, die de regering van advies dient in zaken de defensie betreffende; raad van onderzoek, soort van eregericht, die in bepaalde gevallen moet beslissen, of iemand officier mag blijven of niet; de Raad voor de Scheepvaart, college belast met het onderzoek naar de oorzaken van scheepsrampen (eertijds de Raad van Tucht);
7. (veroud.) bijeenkomst waarin beraadslaagd wordt, raadsvergadering: de ministers in rade verenigd.