I. PUNTJE
o. (-s),
1. kleine stip of spikkel: vocht in een schilderij verraadt zich door zwarte puntjes; langs de rivier pinkten puntjes van licht;
2. onderdeel, nl. in een reeks, rangorde of indeling, en in betr. tot de overige delen; (gewest.) op de puntjes, tot in kleinigheden verzorgd, keurig ; — in de puntjes, tot in de bijzonderheden, tot in onderdelen: in de puntjes verzorgd; (vandaar abs.) buitengewoon keurig, inz. met betr. tot iemands uiterlijk of zijn huis : aan boord moet alles in de puntjes zijn; als bw. : ze mocht nu alles wel in de puntjes doen;
tot in de (fijnste) puntjes, tot in bijzonderheden: iets tot in de puntjes weten, tot in de kleinste bijzonderheden; (niet alg.) geen puntje, niets hoegenaamd: het kon haar nou net geen puntje schelen;
3. (R.-K.) stichtelijke passage: collaties of puntjes; — vandaar de zegsw.: iem. een puntje spellen, hem de les lezen.
II. PUNTJE
o. (-s),
1. kleine scherpe, prikkende punt: de scherpe puntjes zijn er af, hij is niet meer zo flink, of zo vlug van begrip ; (ook) de scherpe tegenstellingen in een conflict zijn verdwenen of verzacht;
2. eerste uitbotting, b.v. van een blad: thee met gele, met witte puntjes ; — (scherts.) thee met witte puntjes, slappe, bijgeschonken thee;
3. uiteinde, rand: hij zit op het puntje van de stoel;
4. spits toelopend mandje, ook als maat voor vis, b.v. 14 roggen: 10 puntjes rog; —
5. puntzakje ; — een puntje thee, peper, zoveel als in een puntzakje verpakt kan worden;
6. luxebroodje dat aan twee kanten puntvormig toeloopt: zijn klanten hielden niet van puntjes en hadden liever een ferme snee wittebrood;
7. puntgranaat: puntjes poetsen, puntgranaten schoonmaken.
III. PUNTJE zn., in de uitdr. als (’t) puntje bij (’t) paaltje komt of toen puntje bij paaltje kwam, als (toen) liet er op aan komt (kwam): toen puntje bij paaltje kwam zakte hem de moed in de schoenen. Ook putje.