(<Fr.), v. (-s),
1. eersteling, eerste kweeksel van een gewas voor het eigenlijke seizoen begonnen is: groenteboeren die in primeurs doen;
2. eerste openbaarmaking van iets nieuws: de primeur van een opera hebben, die het eerst opvoeren, (ook) de eerste uitvoering bijwonen; hij had de primeur er van, zag het het eerst in, kreeg er het eerst bericht van enz.