Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Persoon

betekenis & definitie

(<Lat.-Fr.), m. en v. (...sonen),

1.( oudh.) het masker van een toneelspeler; (bij uitbr.) rol van een toneelspeler, de door hem voorgestelde persoonlijkheid: dit stuk bestaat uit vijf personen; — stomme personen, figuranten;
2. zelfstandig optredend menselijk wezen; individu: aanzienlijke, vorstelijke personen; ons gezin bestaat uit zes personen; — het kost een gulden per persoon; — ik voor mijn persoon, wat mij betreft; — hij kwam in eigen persoon, hij kwam zelf, zond geen plaatsvervanger; — hij is de aangewezen persoon, daarvoor wordt hij het meest geschikt gerekend, (ook) komt hij in de eerste plaats in aanmerking;
3. iem. ten opzichte van zijn uiterlijk: hij is groot, klein, knap, lelijk van persoon; van persoon is hij niets veranderd; ik ken hem niet van persoon; — met zijn persoon verlegen zijn, niet weten hoe men zich zal gedragen, in gezelschap zich bewegen moet; — mijn persoontje, quasi-nederige of bescheiden aanduiding van zichzelf;
4. iemands individuele eigen(aardig)heid: er was iets achterdochtigs in zijn persoon, in zijn doen en laten; — men kan hem weinig sympathiek vinden, maar in elk geval: hij is een persoon, een persoonlijkheid; — handelen zonder aanzien des persoons, zonder op rang of stand in de maatschappij te letten;
5. (rechtst.) menselijk wezen of lichaam (corporatie, vereniging enz.) hebbende rechten en plichten die door de wet erkend worden; men onderscheidt natuurlijk persoon ter aanwijzing van mensen, en rechtspersoon, van zaken; — burgerlijk persoon;
6. (theologie) elk van de drie onderscheidingen of bestaanswijzen van het goddelijk wezen: Vader, Zoon en Heilige Geest, drie personen en één God;
7. (spraakk.) elk van de drie klassen van persoonlijke voornaamwoorden, aanwijzende degene die spreekt: het voornaamwoord van de eerste persoon, ik; — vandaar ook voor elk van de vormen van het werkwoord die de verhouding uitdrukken tussen de spreker en het onderwerp der werking; de eerste persoon, wanneer de spreker het onderwerp der werking is; de tweede persoon, wanneer de aangesprokene het onderwerp is; de derde persoon, wanneer noch spreker, noch aangesprokene, maar een derde zelfstandigheid het onderwerp is; — de aangesproken persoon, de naam van de werkelijke of als zodanig voorgestelde persoon, tot wie men zijn rede richt.