Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Pas

betekenis & definitie

I. (<Fr.<Lat.), m. (-sen),

1. trede, tred, schrede, stap: een flinke, veerkrachtige pas; — ruimte die men aflegt bij een stap : grote passen maken; — (mil.) de op voorgeschreven wijze gemaakte beweging der voeten bij het marcheren: de lengte der passen wordt gerekend van hiel tot hiel; de pas markeren, hem op de plaats aangeven zonder voort te lopen; gewone pas, gezwinde pas, verdubbelde pas; in de pas blijven, gelijk stappende voortgaan; uit de pas raken ; — (bij het dansen) de bijzondere beweging der voeten bij het uitvoeren van een bepaalde dans; — (rijsch.) telgang, het gelijktijdig verzetten van de voor- en achterpoot aan één zijde van het lichaam : halve pas, half pas, half draf;
2. (als lengtemaat) afstand die afgelegd wordt bij het doen van een schrede: op een afstand van drie passen;
3. plaats die men moet voorbijgaan of passeren, weg die toegang geeft tot een bep. plaats : iem. de pas afsnijden, hem beletten te passeren, ook oneig.;
4. plaats waar men over een water kan trekken: de beide versterkte passen over het moeras;
5. doorgang in het gebergte, bergengte: de pas van de St. Gothard;
6. paspoort, reispas: iem. een pas geven ; zonder pas reizen; — (mil.) het aan een soldaat afgegeven bewijs dat hij zich buiten zijn garnizoensplaats mag begeven voor een korte termijn;
7. onderdeel van een vrouwenmuts ; het voorste gedeelte van de muts, waarbij de bol zich aansluit, en dat dus het deel van het hoofd dat boven het voorhoofd ligt bedekt.

II. o., geen mv., alleen in vaste uitdrukkingen,

1. de voor iets bestemde, de juiste plaats : te pas en te onpas spreekt men steeds over die zaak; — te pas komen, daar komen waar men wezen moet, terecht komen; thans meestal in ongunstige zin: hij is daar lelijk, slecht te pas gekomen;

iets te pas brengen, het te berde brengen en aanwenden : (ook) op de juiste wijze ter sprake brengen; — ik zal het u wel weer eens te pas brengen, het u vroeg of laat vergelden; — dat zal je te pas komen, daar zal je te eniger tijd de slechte gevolgen van ondervinden, dat zal ik op je wreken;

2. bep. tijdstip, tijdpunt: voor dit pas zal ik het toestaan ; — op ’t zelfde pas, op datzelfde ogenblik; — (ouderw.) op dit, dat pas, op dit, dat tijdstip ; — op zijn pas, op de juiste tijd, op het tijdstip waarop dit behoort; — (zegsw.) een woord op zijn pas is zo goed als geldin de tas, of is een daalder waard, weten te spreken waar het behoort is van grote waarde; — van pas, bijtijds; — juist van pas komen, op het goede tijdstip komen; (ook) gelegen komen of dienstig zijn ; — te pas, op de juiste tijd ; — te pas komen a) gelegen komen; b) tot iets dienstig of nuttig zijn; c) passend zyn, bij de omstandigheden behoren: in iets, ergens bij te pas komen; (zegsw.) dat komt te pas als een haar in de boter, in de soep ; d) van dienst zijn, gebruikt kunnen worden, in een behoefte voorzien: de moed komt te pas in alle gevaren; iem. te pas kamen, hem van dienst, hem nuttig zijn; (zegsw.) het komt hem in zijn kraam te pas, hij kan er voor zijn doel een goed gebruik van maken; — aan (bij) iets te pas komen, ergens bij nodig zijn; — bij (in) iets te pas komen, bij iets nodig zijn en aangewend worden, daarbij gebruikt of toegepast worden: — (wel) te pas, zo als men dat wenst, of gelijk iem. nuttig of dienstig is ;
3. gunstige, geschikte gelegenheid: het geeft pas, de omstandigheden geven gelegenheid, (ook) het is gepast, het betaamt; — waar het pas geeft;
4. goede toestand, vooral ten opzichte van het lichaam: wel te pas zijn; kwalijk te pas, ziek; — (Zuidn.) op zijn pas, zoals men behoort te wezen;
5. een bep. maat: op zijn pas, op de juiste maat; — van pas, op de juiste maat; — (Zuidn.) Jan van pas, de passende, de verlangde bruidegom : als Jan van pas komt zal ze wel trouwen; — men kan het niet iedereen van pas maken; — te pas, op de juiste maat, zodat het goed in orde is; — (zeew.) het schip is op zijn pas geladen, zo geladen dat het gemakkelijk zeilt en stuurt.

III. o. (-sen),

1. waterpas: geef me het pas eens hier, we zullen zien of de drempel recht ligt;
2. (in pelen korenmolens) waterpas liggende houten legger, waarop de steenspil rust en die dus de pel- of maalsteen (loper) draagt.

IV. m., het passen: zie zo, na ga ik eens op mijn pas, nu ga ik eens alles afpassen en nameten; — (kleerm.) een pak in de pas brengen, het ter aanpassing brengen voor het geheel afgewerkt is, om zo nodig nog kleine veranderingen aan te brengen; ook een pak uit de pas halen.

V. bn. bw.,
1. van pas zijnde, juist zo groot als het zijn moet; thans inz. als praedicatieve bepaling: metselstenen welke in houten of ijzeren vormen pas gestreken worden ; men moet voorzichtig zijn met het plooien van feiten in een pas gemaakt stelsel;
2. waterpas : die drempel is nog niet pas ; dat hout staat pas.

VI. bw.,

1. juist, met betrekking tot wat juist gebeurt of zoeven begonnen is : u die het leven nog pas begint; pas was de brief weg of daar kreeg hij bericht, nauwelijks... of;
2. kort geleden, zoëven: hij is pas aangekomen ; ik heb pas nog een brief van haar gekregen ; ik heb hem pas nog gezien; — zo pas, zoëven; — in verbinding met een verleden deelwoord: het pas ontvangen geld;
3. nog niet lang, nauwelijks : ik heb pas gedaan; ik ben pas klaar;
4. niet langer dan, niet meer dan: het is pas tien uur; — vandaar in toepassing op maat, afstand en hoeveelheid : het is pas een begin ; we zijn pas in Utrecht;
5. niet eerder dan, eerst: hij staat pas om acht uur op ; — dan pas, nu pas, eerst dan, nu eerst;
6. eerst, in nog hogere mate: die zou pas moe wezen!
7. (ouderw.) nauwelijks: een pas hoorbaar gefluister.