Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Partij

betekenis & definitie

(<Er.), v. (-en),

1. deel, gedeelte: de 35 planten werden in zeven partijtjes, elk van 5 stuks verdeeld ;
2. (veroud.) lichaamsdeel; — (thans nog) schaamdeel, inz. mannelijk lid: de partijen van een haas ;
3. afgedeeld stuk land: ik heb daar een paar partijen tarwe ;
4. een bepaald gedeelte van iets, op zichzelf beschouwd : het marmer, dat zo verschillend van aard en in de natuur zo grillig van partijen is; — vooral in toepassing op onderdelen van een landschap : in deze landstreek heeft men mooie partijen; op die schilderij komen de partijen goed uit;
5. (muz.) gedeelte dat door een bepaalde stem of een bepaald instrument uitgevoerd moet worden ; een der stemmen of instrumenten in een concertstuk : de partijen waren goed bezet; zijn partij zuiver zingen, spelen ; de partijen uitschrijven;
6. niet bepaalde hoeveelheid van iets: een partij tin- en koperwerk;
7. (handel) zekere, meestal vrij aanzienlijke hoeveelheid goederen of waren, die door hun aard of kwaliteit bij elkaar behoren : een partij goederen, koffie, koopwaren; een partij boeken ; bij partijen is de prijs minder; ik heb er nog een hele partij van;
8. aantal personen, bende: een partij nieuwsgierigen, dieven; je hebt daar met een partij schurken te doen;
9. (veroud.) detachement of kleine troep gewapenden aangewezen voor een bep. taak; — inz. vrijbuiterskorps : op partij gaan, lopen; verg. Partijganger ;
10. groep van personen die voor hetzelfde doel zich verenigd hebben; van de partij zijn, ergens aan meedoen ;
11. de gezamenlijke personen die iemands aanhang vormen: iemands partij (of partij voor iem.) nemen, trekken, kiezen; — partij kiezen, nemen, een beslissing nemen bij wie of wat men zich zal aansluiten of wie men wil steunen, zich partij stellen ;
12. groep personen die zich tot een geheel verenigen om zekere belangen voor te staan, daarvoor te strijden, vooral op staatkundig gebied: liberale partij; de partij van

de arbeid; de partijen in de Kamers, in de volksvertegenwoordiging ; de partij van het behoud, van de vooruitgang; tot een partij behoren, overgaan ; zijn partij verlaten, getrouw blijven;

13. aantal personen die bijeengekomen zijn om zich gezamenlijk te vermaken, gezelschap dat genodigd is op een gezellige of feestelijke bijeenkomst; feest: een vrolijke, een schitterende partij; een partij geven ; naar een partij gaan, een partij bijwonen; ik moet op partij; — (fig.) een mislukte partij, iets dat niet slaagt, dat in het water valt; ’t werd een natte partij, ’t begon te regenen;
14. (rechtsw.) elk der beide tegenover elkaar staande personen of groepen: een advocaat moet de belangen van zijn partij verstaan ; de klagende en de aangeklaagde partij; men moet beide partijen horen; de partijen hebben een vergelijk aangegaan; men kan niet rechter en partij tevens zijn ; — tegenpartij: partij beweert; met partij afrekenen ;
15. persoon in betrekking tot een ander gedacht : dat meisje is een goede, rijke partij voor hem; — zij doet een goede partij, doet een goed huwelijk; — laat partijen binnen, om te trouwen; — partijen kwamen overeen, in een akte, voor een notaris ; — de contracterende partijen, die een contract aangingen;
16. personen die tegen elkander spelen: de spelers verdelen zich in twee partijen;

tegenpartij : partij van iem. zijn; zijn partij was hem te sterk, hij moest het verliezen;

17. spel dat door twee of meer personen wordt gespeeld: een partij biljarten, kaarten, schaken; ik won de partij;
18. (g. mv.) nut, voordeel: van iets partij trekken ; hij weet van alles partij te trekken, tot zijn voordeel aan te wenden.