Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Paling

betekenis & definitie

I. m. (-en) en v. (als stofn.),

1. slangvormige vis (Anguilla anguilla), die nagenoeg alle zoete wateren van Europa bewoont: zo glad als een paling; paling in t zuur; — (Zuidn.) paling in ’t groen, gestoofde paling met kervelsaus; — paling steken, zie Palingsteken; — (fig.) paling vangen, door het ijs zakken, in het water vallen.
2. (fig.) lang en mager persoon.
3. (Zuidn.) gewiekste, gladde kerel, aal.
4. (Zuidn.) iem. die zijn werk slecht doet, die zich misdraagt enz.: Jan is een vieze paling.
5. (Zuidn.) overjas.
6. (gew.) plooi in een afgezakte kous of sok.

II. v., het voorzien van palen.