Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Oppassen

betekenis & definitie

(paste op, heeft opgepast),

1. proberen of iets ergens op past of sluit: een hoed oppassen ; kurken oppassen;
2. op iets letten, acht geven: commissarissen wier vorsende blik oppast of ... ; — (overg.) toezicht houden op : schapen oppassen in het veld;
3. acht geven op zijn werk, op hetgeen men doet: een ander maal moet je beter oppassen; — goed, braaf oppassen, zich goed gedragen, zijn best doen;
4. zorg dragen, er voor waken dat iets al of niet gebeurt: je moet oppassen dat je niets van hem vraagt wat hem onaangenaam is;
5. achtgeven, op zijn hoede zijn: pas op ventje, zie waar je loopt; voor Jiem moet je oppassen, het is een slimme rot; — (spr.) oppassen is de boodschap, wie zijn doel wil bereiken, behoort oplettend te zijn;
6. (overg.) iem. dienen, van dienst zijn: een heer oppassen, boodschappen voor hem verrichten enz., zonder bij hem in huis te wonen ;
7. zorgen voor iem. of iets: een klein ineis je was thuis gebleven om broertje in de wieg op te passen ; een zieke oppassen ; — (Zuidn.) het huishouden oppassen.

< >