Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Opleggen

betekenis & definitie

(legde, lei op, heeft opgelegd, opgeleid),

1. hoger leggen, gezegd van een vat dat in een schuinse richting voorover wordt gelegd opdat het laatste gedeelte van de inhoud er uit kan lopen; — een nieuw vat opleggen, aansteken;
2. op een hoop leggen, opstapelen, inz. van zakken of balen die in een pakhuis of op een graanzolder opgestapeld worden: balen, meel, rijst opleggen ;
3. opslaan, in een pakhuis bergen: het kopen en opleggen van granen (Van der Palm); voorraad opleggen; de opgelegde spaarpenningen;
4. (Zuidn.) inleggen, inmaken: groenten, vruchten, haring opleggen;
5. (scheepst.) onttakelen, buiten de vaart brengen: de stoombootmaatschappij heeft acht schepen opgelegd;
6. (boekdr.) ter perse leggen : een boek, een nieuwe druk opleggen;
7. (kaartsp.) de kaarten opleggen, ze open op tafel leggen, b.v. bij een ,,misère ouverte” : ik kan het spel wel opleggen: ik heb nog de twee laatste troeven en kan verder geen slag meer maken;
8. op iets leggen of plaatsen : iem. de handen opleggen, onder het uitspreken van een zegenwens, (ook) bij de eerste bevestiging van een predikant; — opleggen bij het schaatsenrijden, de rechterhand leggen in de linkerhand van de voorman, die deze op de rug houdt (bij het rijden van twee of meer personen achter elkander); — iem. iets opleggen, het hem opdragen, opgeven, het hem op de schouders leggen, hem er toe verplichten: iem. een zware straf opleggen; het volk zware belastingen opleggen, hoge belastingen doen betalen; iem. een verplichting opleggen; iem. een eed opleggen, bij rechterlijk vonnis bepalen, dat een der partijen een eed zal zweren (vgl. opdragen);het zwijgen opleggen, verbieden te spreken; — (hoefsm.) het hoefijzer op de hoef aanbrengen; — (timm.) (van scharnieren en hengsels) ze boven op het houtwerk aanbrengen, in tegenst. met ze in het hout inlaten, insteken : een deur met opgelegde scharnieren;
9. (timm.) (van houten meubelen of gebruiksvoorwerpen) bekleden met dunne bladen van een fijnere houtsoort: een meubel met mahoniehout opleggen ;
10. (wev.) (van een patroon, van gebloemde of andere figuren) deze in het weefsel aanbrengen: stoffen met opgelegde patronen;
11. (van kleuren) ze met een kwast op iets aanbrengen: schilderijen waarvan de kleur groezig en onnatuurlijk opgelegd is;
12. (Zuidn.) op de prijs toeleggen: als ge nog honderd frank oplegt is de hond van u (Noordn. : er nog een gulden op leggen).