Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Opknappen

betekenis & definitie

(knapte op, heeft en is opgeknapt),

1. (overg.; knapper maken, in betere toestand brengen; reinigen, weer een net of zindelijk voorkomen geven : wat zijn je gezicht en je handen vuil: ga je gauw eens opknappen ; — zijn kleren weer in orde brengen, een nettere, fraaiere kleding aantrekken : ik zal mij gauw wat opknappen ; — (van pers. met betr. tot hun gezondheid) weer beter doen worden: de zeereis zal je opknappen ; — (van zaken) weer een net voorkomen geven: hij heeft het huis eerst wat laten opknappen, voor hij het verkocht heeft; zijn hoed laten opknappen, vermaken of nieuw opmaken;
2. (onoverg.) knapper, netter, beter worden : was je en kam je haar, daar zal je heel wat van opknappen ; — als kind was ze lelijk, maar nu ze ouder wordt knapt ze toch wat op, wordt ze mooier ; — (van zieken) herstellen: de zieke moet nu van de frisse lucht opknappen;
3. (overg.) (van een handeling) verrichten, ten uitvoer brengen, beredderen (op een knappe, handige manier): dat zaakje zal hij wel opknappen;
4. (onoverg.) iem. met iets opknappen, het hem, als iets onaangenaams, bezorgen, hem er voor laten opdraaien.