Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Ophouden

betekenis & definitie

(hield op, heeft opgehouden),

I. overg.,
1. rechtop-, in de hoogte-, omhooghouden: van zwakte kon hij zijn hoofd niet ophouden; die boomtak wordt met een schoor opgehouden; hou je japon wat op ; — een streng garen, katoen enz. ophouden, op de armen omhoog en uiteenhouden, zodat een ander het kan opwinden; — (fig.) zijn eer, stand, rang ophouden, die hoog houden, verdedigen; — de eer van het huis ophouden, waardig de gasten onthalen; — de eer van zijn geslacht ophouden, zich een waardig lid er van betonen;
2. iets omhooghouden met de bedoeling dat er wat in gedaan wordt, vandaar soms zoveel als openhouden: hou de zak op, dan zal ik het meel er in gieten;zijn hand ophouden, ook fig. voor : bedelen, aalmoezen vragen of in ontvangst nemen;
3. beletten voort te gaan, tegenhouden: het water in de stadsgrachten ophouden; zijn water ophouden, niet laten lopen; het bloed ophouden, stelpen;

(Zuidn.) zijn asem ophouden, inhouden;

4. (van iets dat men in veiling brengt) het niet voor het gedane bod afstaan: op de veiling werden de meeste percelen opgehouden; een huis ophouden;
5. (van personen) in de loop, de reis enz. stuiten, beletten verder te gaan: ik ben opgehouden, vandaar dat ik te laat kom; zij was door een bezoek opgehouden; ik heb u te lang met deze zaak opgehouden; — ik zal u niet langer ophouden, niet meer beslag op uw tijd leggen; — het houdt lang op, het kost veel tijd;
6. (Zuidn.) opkweken, opfokken: dat veulen verkoop ik niet, maar houd het op;
7. (w. g.) huisvesting verlenen (inz. van slecht volk gezegd): dieven en moordenaars ophouden; die vrouw kreeg straf, omdat zij minderjarige meisjes ophield, hun gelegenheid gaf tot het plegen van ontucht;
8. (in de uitdr.) het kunnen ophouden, niet gedwongen worden door zwakte, onpasselijkheid enz. om naar bed te gaan;
9. (van een gesprek) aan de gang houden, doen voortduren: hij moest nu alleen het gesprek ophouden (v. Lennep);
10. op iets houden, doen blijven; bep. van een hoofddeksel, op het hoofd houden: het woei zo hard dat ik mijn hoed haast niet ophouden kon; —

II. onoverg.,

1. niet voortgaan, uitscheiden, eindigen: met spreken ophouden ; hou nu op met plagen ; — hier houdt het bos op, is de grens er van ; — het zal zo ophouden met regenen, het zal zo droog zijn ; — de wind zal weldra ophouden, bedaard zijn; — die vrouw heeft ook opgehouden, zij krijgt de maandstonden niet meer ; — hij heeft met zijn winkel opgehouden, die gesloten ; — dan houdt alles op, dan komt er een einde aan (met betr. tot overeenkomsten, beloften, giften enz.) ; — daarmee houdt alles op, op die manier is niets meer geldig ; inz. in de zin van daartegen is niet te strijden of te redeneren ; — zonder ophouden, gedurig, aanhoudend;
2. (in ’t bijz.) uitscheiden met gaan : wij zullen aan de tol ophouden;

III. (wederk.) zich ophouden,

1. ergens vertoeven, verblijven : hij houdt zich veelal in het buitenland op;
2. zich met iets ophouden, zijn tijd er aan geven, zich bezighouden met : met politiek hebben wij ons hier niet op te houden ; ik kan mij niet langer met u ophouden ;

(van personen) omgaan, verkeren met : met hem houd ik mij niet op ; zich met gemeen volk ophouden.