Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Opening

betekenis & definitie

v.,

I. abstr.,
1. het openen; het opengaan of openmaken van iets: reeds lang voor de opening der deuren verdrong het publiek zich voor de schouwburg; de opening van het graf; de opening der stembrief jes; de opening van het testament', — (nat.) de opening van de ketenvan een galvanische batterij, het verbreken van de electrische stroom;
2. het maken, het doen ontstaan van een gat in iets: de opening van een zweer; — m. betr. t. het openhouden van die delen van het lichaam waardoor iets een uitweg moet vinden: iets innemen tot opening van het lijf;
3. het ontsluiten, het openstellen ten behoeve of ten gebruike van anderen: de opening van de Schelde; de opening van de jacht;
4. het onthullen, aan het licht brengen, mededelen, openbaren van wat nog niet algemeen bekend is: opening doen van een zaak; opening van zaken geven, inlichtingen geven omtrent de ware stand van zaken;
5. het voor het eerst openstellen van een gebouw, een instelling enz.: de opening van een nieuwe winkel; de feestelijke opening van de nieuwe spoorlijn;
6. het beginnen, doen aanvangen van iets: de opening van de veldtocht, van het badseizoen; — openingen doen , onderhandelingen openen, stappen doen om tot een vergelijk te komen; (van vergaderingen) het plechtig doen beginnen als de voorzitter het woord neemt: de opening van de (zitting der) Staten-Generaal;
7. (schaken) wijze waarop een partij geopend wordt: de geijkte opening d 2-d 4;

II. concr. (-en),

1. open ruimte, inz. een die toegang tot iets of een uitweg verschaft: de opening van een kelder; (zegsw.) als hij maar een opening ziet, dan komt hij er, zo hij maar enigszins gelegenheid vindt, dan maakt hij er gebruik van; — openingen in de hemel, donkere ruimten zonder sterren;
2. gat, bres, barst, spleet: openingen in muren, deuren, planken-, een opening in iets maken.