Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Onderen

betekenis & definitie

bw. in verb. met de vz. naar, ten, van.

I. naar onderen, naar de onder- of benedenzijde, naar beneden: een blauwzijden, naar onderen openhangend wambuis; als je naar onderen gaat, neem dan mijn hoed mee;

II. (Zuidn.) ten onderen; zich ten onderen geven, zich onderwerpen: dan gaven zij zich ten onderen, alweer met verlies van een gedeelte hunner onafhankelijkheid; ten onderen houden, in bedwang, in onderwerping houden; ten onderen gaan, brengen, zijn, tot verval komen, brengen of gekomen zijn; III. van onderen,

1. aan de benedenzijde: de mouwen, nauw aan de schouder. liepen van onderen breed uit; haar hoepelrok was van voren en van onderen met zwart satijn lint geboord; heila! van onderen! waarschuwingsroep aan degenen die beneden op de straat zich bevinden, bij het uitwerpen of laten zakken van voorwerpen uit een luik of venster van een bovenverdieping;
2. van beneden, uit de laagte: het geluid, de rook komt van onderen; zij klommen van onderen naar boven; hij bekeek het ding nog eens van onderen tot boven; van onderen op, van beneden opwaarts, van beneden uit: hij is van onderen op tot die aanzienlijke betrekking opgeklommen; van onderen op dienen, bij de laagste rang beginnen; van boven tot onderen, van boven tot beneden: hij bekeek hem van boven tot onderen, van het hoofd tot de voeten; men doorzocht het huis van boven tot onderen.