Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

O

betekenis & definitie

I. O

v. (’s),
1. als teken 15de letter, als klank 4de der klinkers van ons alfabet; — (zegsw.) het is een ronde o, ‘t is zo rond als een o, ’t is zo klaar als de dag, ’t is duidelijk en zeker ; ’t is een ronde o, die tapt die moet borgen, ’t is klaar en zeker, dat men de gevolgen van zijn handelingen dragen moet; — (scherts.) ’t is O, P, op, of ’t is een O met een P: op, de voorraad van spijs en drank, van geld of andere benodigdheden is op of verteerd;
2. de gezamenlijke namen of woorden in een alfabetisch gerangschikt boek, kaartsysteem e.d. die met een o beginnen;
3. voorwerp in de vorm van deze letter, bep. zulk een kringetje uitgeblazen sigarenrook: ootjes blazen. Zie voorts Ootje.

II. O

I. tw., uitroep ter uiting van verrukking, bewondering, verwondering, verbazing; van vreugde of voldoening ; van smart, verdriet, pijn enz.; van angst, vrees, schrik, bezorgdheid; van verontwaardiging, toorn, gemelijkheid, ontevredenheid, ongeduld : van begeerte of wens; die nadruk geeft aan een opwekking of aanmaning, aan een verzoek of verlangen enz.; van goedaardige scherts, lichte spot, speelse ondeugendheid, schertsende opgetogenheid; van wezenlijke of schijnbare onverschilligheid ; van terechtwijzing van zichzelf, bij een plotseling invallende gedachte, bij de herinnering aan iets dat men vergeten had; van gevoel; die nadruk geeft aan een bewering of verzekering; meestal slechts dienende

tot versterking; — vooral als versterking verbonden met andere uitroepen, of als zodanig gebezigde uitdrukkingen, als : o foei! o wee! o God! o grut! o Jezus! o jee! o jenemie! o jakkes! o ja! o neen! uitroep om meer nadruk bij het spreken te geven, vooral in het gebed en bij dichters gebruikelijk : o grote God! zij ons genadig’, wat zwoegt ge, o Mens! naar goud of eer? dikwijls gevolgd door een verkorte elliptische volzin, een uitroep behelzende, die de oorzaak van het gevoel van verwondering, verbazing enz. aanduidt: o benijdenswaardig genot der zekere wetenschap ! ; o die slimme vleister! ; o die Blauwbaard, die verschrikkelijke, die gruwelijke, die heerlijke Blauwbaard! — soms met een 4de nv. verbonden : o mij, wat zal ik dan vaak bij u komen; II. als zn. o. (*s): een preek met veel o's en ach’s en wee's.