Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Nieuw

betekenis & definitie

I. bn. bw. (-er, -st),

1. pas ontstaan, jong: nieuwe groenten, aardappelen, haring; — er is een nieuw zusje gekomen;
2. pas gemaakt, gebouwd, ontgonnen enz.: hij woont in een van de nieuwe huizen aan de Singel; mijn boekhandelaar zendt mij alle nieuwe boeken ter inzage ; de nieuwe kieswet;
3. pas ontworpen, pas bedacht: nieuwe theorieën; de nieuwe mode;
4. te voren niet waargenomen ; ongewoon, verrassend : het nieuwe, vreemde en ongemene ; de nieuwe bekoring van het moederschap ; — zelfst.: iets, wat nieuws;
5. nog niet of ternauwernood gebruikt: zijn kleren zijn nog als nieuw;
6. tegenwoordig, modern: de nieuwe talen (tgov. de klassieke); de nieuwe letterkunde; — een nieuwe richting; — de nieuweren, de vertegenwoordigers van moderne denkbeelden; — de nieuwe stijl, de Gregoriaanse tijdrekening;
7. onbedreven, onervaren : hij is nog geheel nieuw in de zaak;
8. (volkst.) benieuwd, nieuwsgierig : ik ben er nieuw naar; het zal mij nieuw doen, ik ben benieuwd;
9. komende na iets of iem. anders, hetzij al of niet ter vervanging daarvan: een nieuwe weg inslaan; ik wil nog een nieuwe kans wagen ; — een nieuwe werkkring ; een nieuwe sigaar opsteken; — met nieuwe moed bezield; — het Nieuwe Verbond of Testament, de Nieuwe Wet; — het nieuwe licht, een richting die een andere wil aflossen : ben je ook al van het nieuwe licht? (b.v. in toepassing op de vereenvoudigde spelling);
10. van een tijdkring, die nadat hij geëindigd is weer begint: het nieuwe jaar, de nieuwe week;
11. in een bep. hoedanigheid volgend op een of meer andere personen: de nieuwe onderwijzer; een nieuwe meid; dat is een nieuwe (van scholieren gezegd).

II. zn. o., wat nieuw is, in ’t bijz.:

1. nieuwe kleren: in het nieuw steken;
2. het ongewone, vreemde: het nieuw is er af.