Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Naald

betekenis & definitie

v. (-en),

1. dunne stalen stift om te naaien, stoppen, borduren enz., met aan de ene zijde een spitse punt en aan de andere een oog om een draad door te steken: geef mij even een naald en een draad om de knoop aan te zetten; een draad in een naald steken; — met de naald (met naaien) zijn brood verdienen; — (spr.) met de hete (gloeiende) naald gemaakt, haastig en slordig afgewerkt; — heet van de naald, zó als -, onmiddellijk nadat het gereed gekomen is; (bij uitbr.) terstond; — zij (haar tong) is zo scherp als een naald, zij is zeer vinnig, zeer bits; — voor elke naald een draad, voor ieder gat een spijker hebben, gevat zijn in het geven van antwoorden; — door het oog van de naald gekropen zijn, aan een groot gevaar ontsnapt zijn; — de zieke heeft het door het oog van een naald gehaald, hij is de dood nabij geweest; — (Zuidn.) iets verhalen van de naald tot de draad, (ook) van naaldeke tot draadje, van A tot Z, van stukje tot beetje, van het begin tot het einde;
2. dun, puntig metalen staafje voor andere doeleinden; — gramofoonnaald; — haarpriem, speld waarmee het hoofdhaar wordt vastgestoken: een naald met een diamant;
3. etsnaald: de droge naald;
4. magneetnaald, inz. als -wijzer van een kompas: de naald wees Noord; — dode naald, kompasnaald die haar kracht verloren heeft; walende naald, kompasnaald die zich langzaam richt;
5. (Zuidn.) evenaar, tongetje van een weegschaal;
6. kristal van langgerekte, puntige gedaante;
7. blad van een naaldboom: de weg onder de pijnbomen was glad van naalden;
8. naaldvormig uitsteeksel van plantendelen;
9. (scheepsb.) strook hout die somtijds tussen het rahout en de zitgang aangebracht wordt;
10. (timm.) aanslaglijst, sluitlijst die de naad van een vleugeldeur bedekt;
11. (waterst.) losse plank of ijzeren stijl van een naaldstuw;
12. (bouwk.) spits bouwsel, obelisk, gedenkzuil, piramide;
13. zeer smalle, spitse bergtop;
14. (bij bestratingen) de stenen die met een waterpas vooruit gezet worden om de hoogte der bestrating aan te geven.