Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Muziek

betekenis & definitie

(<Fr.), v. [eig. kunst der muzen],

1. toonkunst: onderwijs in de muziek geven; zich op de muziek toeleggen; muziek en zang; 2. voortbrengselen der toonkunst: de muziek van Mozart; Duitse, Italiaanse muziek;
3. uitvoering van muziekstukken: ik hoor gaarne muziek; iem. met muziek ontvangen;muziek maken, musiceren;
4. (fig.) met muziek, flink, met glorie: met muziek slagen voor een examen; hij heeft het spel met muziek gewonnen, verloren; — zonder muziek, eenvoudigweg; — daar zit muziek in, dat gaat vlot, met entrain; (ook) daar is wat goeds van te maken of te verwachten, of: er is geld mee te verdienen;
5. geschreven of gedrukt stuk met muzikale tekens, muziekboek: ik heb mijn muziek thuis laten liggen; muziek verkopen; de muziek ronddelen;
6. zij die muziek maken, de muzikanten: de muziek zat in de zijkamer; de lichten gaan uit en de muziek gaat naar binnen; — (Zuidn.) muziekmaatschappij;
7. (oneig.) geheel van samenklinkende geluiden (al of niet aangenaam), melodie; uren lang kon hij zitten luisteren naar de muziek der zee; de muziek der taal.